2008.05.31

Altijd weer wat! Belevenissen van een brusje

Auteur: Florine Puts
Titel: Altijd weer wat! Belevenissen van een brusje
Uitgeverij: Pica
Plaats: Huizen
Jaar: 2008
Pagina's: 91
ISBN-13: 978-90-776-7123-8
Prijs: € 15,-

altijd weer watWat kan een broer of zus verwachten als een andere broer of zus autisme heeft?  Florine Puts beschreef dit in het boek Altijd weer wat! Ze is zelf moeder van een tweeling waarvan één van de kinderen een autismespectrumstoornis heeft.

In het boek doet Florine Puts het verhaal van een tweelang, Jessica en Julian. Julian heeft autisme en komt daardoor regelmatig in de problemen. Voor Jessica is dat niet altijd even gemakkelijk. Dit wordt op de achterflap kernachtig weergegeven:

Als je een brusje bent (een broer of zusje van iemand met een stoornis, zoals autisme), is dat niet altijd makkelijk. Soms hebben je ouders minder tijd om leuke dingen met je te doen. Bovendien moet je vaak begrip en geduld opbrengen en dan moet je ook nog eens dingen over autisme uitleggen aan de omgeving.

De meerwaarde van dit boek ligt in het feit dat het zich niet beperkt tot een verhaal dat als uitgangspunt kan dienen voor een gesprek met brusjes. Elk hoofdstuk beschrijft immers een ander aspect van autisme en eindigt met een duiding (cursief gedrukt) die door oudere kinderen zeer gemakkelijk zelf kan gelezen worden of voor begeleiders van jongere kinderen een leidraad kan zijn om over die bepaalde aspecten een gesprek aan te gaan.

afdrukken

18:41 Gepost door Lieven Coppens in Pica | Permalink | Email dit | Tags: autisme, ass, autismespectrum, ervaringsdeskundige | |

Hoera, mijn kind is anders

Auteur: Henriëtte Hubers-Kromhof
Titel: Hoera mijn kind is anders!
Uitgeverij: Pica
Plaats: Huizen
Jaar: 2007
Pagina's: 102
ISBN-13: 978-90-776-7125-2
Prijs: € 15,-

hoera mijn kind is anders

Als je als ouder van gezonde kinderen of als hulpverlener uit de eerste hand wilt te weten komen wat het voor een ouder betekent om een kind te hebben dat "anders" is, dan is dit jouw boek.

Henriëtte Hubers-Kromhof beschrijft op een zeer openhartige manier wat een ouder meemaakt als hij merkt dat zijn kind zich niet ontwikkelt zoals dat verwacht wordt. Haar relaas beschrijft niet alleen de weg die ze met haar zoontje Thom aflegde, maar ook de vragen die ze zich als ouder stelde komen aan bod. Evenals de wanhoop, de vertwijfeling, de teleurstelling, het schuldgevoel en alle andere gevoelens waarmee ze als ouder geconfronteerd werd. Je leest eveneens hoe ze met dit alles leerde om te gaan.

Henriëtte Hubers-Kromhof beschrijft eveneens de reacties van buitenstaanders op een kind dat "anders" is en hoe ze daar als ouder met vallen en opstaan op leerde reageren.

Intussen richtte ze samen met anderen de stichting De Droomboom op. Deze stichting biedt aan kinderen met een ontwikkelingsachterstand of autisme dagopvang . Tijdens deze dagopvang krijgen deze kinderen een stimulerende begeleiding vanuit gedragstherapeutische pincipes.

afdrukken

2008.05.25

Hulpgids autisme

Auteur: Chris Williams & Barry Wright
Titel: Hulpgids autisme. Praktische strategieën voor ouders en begeleiders
Uitgeverij: Nieuwezijds
Plaats: >Amsterdam
Jaar: 2006
Pagina's: 327
ISBN-13: 978-90-5712-208-8
Prijs: € 24,95

hulpgids autismeHoe bespreek je een boek dat zo rijk is aan praktische informatie en toch theoretisch goed onderbouwd is. Deze vraag stelde ik me toen ik de Hulpgids autisme had uitgelezen. Elk deel, elk hoofdstuk verdient immers de volle aandacht omwille van de zeer rijke inhoud. Op het gevaar af dit boek onrecht te doen: hieronder mijn poging.

Het eerste deel van dit boek wil een antwoord geven op de vraag van ouders of hun kind een autismespectrumstoornis heeft. In een eerste stuk leggen de auteurs kort uit wat een autismespectrumstoornis is en op welke manier deze zich op verschillende leeftijden kan manifesteren. Voor de volgende leeftijden hebben ze een lijstje opgemaakt van redenen voor bezorgdheid:

  • 0 tot 6 maanden
  • 6 tot 12 maanden
  • 18 maanden
  • 3 tot 5 jaar
  • 6 tot 11 jaar
  • 12 tot 17 jaar

Het tweede stuk van dit eerste deel gaat dieper in op het onderzoek naar en diagnose van een autismespectrumstoornis. Ouders lezen hier wat ze kunnen verwachten van een dergelijk onderzoek. Het derde stuk verduidelijkt de impact van een dergelijke diagnose op het gezin.

Het tweede deel verduidelijkt heel concreet hoe kinderen met autismespectrumstoornissen de wereld zien. De volgende aspecten komen hier ruim aan bod:

  • moeite hebben met het begrijpen van de standpunten, gedachten of gevoelens van anderen te begrijpen (mindblindness)
  • moeite hebben om informatie zodanig te organiseren dat ze de essentie ervan snappen en daardoor te weten wat er aan de hand is of wat er van hen verwacht wordt (moeite hebben om zich niet te verliezen in een bepaald detail)
  • specifieke zintuiglijke interesses en gevoeligheden
  • moeite met het voorstellingsvermogen, de tijdswaarneming , de planning en het geheugen
  • problemen met taal en communicatie

Deze verschillende aspecten worden telkens toegelicht aan de hand van concrete voorbeelden of opdrachten. Hierdoor wordt ook duidelijk hoe de beleving van personen met een autismespectrumstoornis in elkaar zit en waarom ze overkomen zoals ze overkomen.

Het derde en meest uitgebreide deel gaat dieper in op de begeleiding van en de hulp aan personen met een autismespectrumstoornis. Dit is meteen ook het sterkste deel van het boek omdat de auteurs zich niet verliezen in algemenen concepten maar uitgaan van concrete problemen. Ze formuleren een praktisch antwoord op de volgende vragen:

  • Hoe het gedrag reguleren?
  • Hoe sociale vaardigheden ontwikkelen?
  • Hoe communicatieve vaardigheden ontwikkelen?
  • Hoe omgaan met woedeaanvallen, agressie en frustratie?
  • Hoe omgaan met voeding- en eetproblemen?
  • Wat met zindelijk worden?
  • Hoe omgaan met bevuilingproblemen?
  • Wat te doen bij slaapproblemen?
  • Hoe omgaan met zeer specifieke en intense interesses?
  • Hoe omgaan met dwanghandelingen, routines en rituelen?
  • Hoe omgaan met hebbelijkheden en repetitieve bewegingen?
  • Hoe als ouder een weg vinden in het aanbod van interventies en behandelingen?

Voor elk probleem wordt er concreet ingegaan op de essentie ervan aan de hand van 3 kernvragen:

  • Wat is het probleem?
  • Waarom gebeurt dit?
  • Hoe kan het aangepakt worden?

Het antwoord op deze 3 vragen wordt dan verder aangevuld met andere nuttige ideeën en methoden. Op deze manier krijgen ouders beter zicht op de aard van het probleem en wat er kan aan gedaan worden. Tegelijkertijd krijgen ze ook heel concrete informatie over de verschillende aanpakmethoden.

Dit boek is een referentiewerk voor ouders en begeleiders van kinderen en jongeren met een autismespectrumstoornis. Het is concreet, praktisch, theoretisch goed onderbouwd en vlot leesbaar. In zijn unieke combinatie van theorie en praktijk overstijgt het menig ander soortgelijk werk.

De boeken van uitgeverij Nieuwezijds worden in België verdeeld door uitgeverij Epo.

afdrukken

12:58 Gepost door Lieven Coppens in Nieuwezijds | Permalink | Email dit | Tags: ass, autisme, autismespectrum | |

2008.05.17

KOEK: Korte Observatie Ergotherapie Kleuters

Auteur: Margo van Hartingsveldt, Edith Cup & Madeleine Corstens-Mignot
Titel: KOEK: Korte Observatie Ergotherapie Kleuters
Uitgeverij: Ergoboek
Plaats: Nijmegen
Jaar: 2006
Pagina's: 207
ISBN-13: 978-90-810589-1-9
Prijs: € 29,95

korte observatie ergotherapie kleutersDe Korte Observatie Ergotherapie Kleuters is een observatie-instrument voor de fijnmotorische vaardigheden van kleuters. Dit instrument kan gebruikt worden om na te gaan of de oudste kleuters toe zijn aan het (voorbereidend) schrijven. Daarnaast kan het ook gebruikt worden bij de diagnostiek van kleuters met fijnmotorische problemen. Op basis van de resultaten van deze observatie kunnen er adviezen gegeven worden aan de leerkracht zodat hij in het laatste kleuterjaar die vaardigheden kan stimuleren die voor de kleuter zelf nog moeilijk zijn. Waar nodig kan men de kleuter op basis van dit instrument ook doorverwijzen voor een professionele behandeling.

Het eerste deel is zuiver theoretisch. Na een korte verheldering over wat ergotherapie inhoudt en welk model er gehanteerd wordt (hoofdstuk 1), gaan de auteurs dieper in op het aspect van de fijne motoriek. Ze definiëren de fijne motoriek en werken dan dit thema volledig uit. Aan bod komen de basale vaardigheden zoals het reiken, het grijpen, het dragen en het bedoeld loslaten van iets, evenals de meer complexe vaardigheden zoals de binnenhandse verplaatsing (bijvoorbeeld het in de hand verplaatsen van een balpen vanuit de vuistgreep naar de juiste pengreep zonder de tussenkomst van de andere hand), het bilateraal handgebruik (het gebruik van 2 handen samen om een activiteit uit te voeren) en het gebruik van gereedschap. De ontwikkeling van de fijne motoriek in de kleuterperiode komt heel kort aan bod om dan dieper in te gaan op een aantal aspecten en componenten van de fijne motoriek zoals:

  • de sensorische aspecten
  • de biomechanische componenten (schouder, elleboog, onderarm, pols, hand, de handbogen en de oppositie van de duim)
  • de ontwikkelingsneurologische componenten van de fijne motoriek.

Hierna gaan de auteurs kort en krachtig in op het onderzoek van de fijne motoriek (hoofdstuk 3). Ze komen tot het besluit dat een goed onderzoek naar de fijne motoriek moet bestaan uit een combinatie van de volgende instrumenten:

  • Movement-Assessment Battery for Children (Movement-ABC)
  • Beery developmental test for Visual Motor Integration (Beery VMI)
  • Korte Observatie Ergotherapie Kleuters

Het volgende stuk van het eerste deel (hoofdstuk 4) is helemaal gewijd aan de papier- en pentaken. De auteurs gaan dieper in op de ontwikkeling van deze taken, de schrijfrijpheid, de goede uitgangshouding voor het schrijven en de juiste pengreep. Duidelijke afbeeldingen maken het gemakkelijker om deze inhoud te begrijpen. Tegelijk wordt er ook aangegeven hoe deze aspecten in de KOEK aan bod komen. Tot slot worden de verschillende fijnmotorische taken die in de KOEK onderzocht worden, zoals het knippen, de manipulatie in één hand, het tweehandig bewegen en het overschrijden van de middellijn uitgelegd en gesitueerd binnen het observatie-instrument (hoofdstuk 5).

Het tweede deel staat helemaal in het teken van het observatie-instrument zelf. Hier krijgt men alle informatie die men nodig heeft om de observatie goed te laten verlopen:

  • een overzicht van de verschillende onderdelen van het instrument (hoofdstuk 6)
  • een lijst met de benodigde materialen (hoofdstuk 7)
  • de instructies (hoofdstuk 8)
  • de scorelijst (hoofdstuk 9)
  • de normering (hoofdstuk 10)
  • een model voor een verslag (hoofdstuk 11)
  • een uitgebreide bibliografie (hoofdstuk 12)

Het derde en laatste deel gaat over de advisering. Het eerste onderdeel (hoofdstuk 13) bespreekt de theoretische achtergronden die de ergotherapeutische interventie vorm geven en een aantal mogelijke benaderingswijzen. Er is ook aandacht voor onderzoeksgegevens die bewijzen dat een ergotherapeutische behandeling effectief werkt. Het tweede onderdeel (hoofdstuk 14) geeft bij elk onderdeel van de KOEK adviezen en tips die door de (zorg)leerkracht kunnen gebruikt worden om het kind te ondersteunen.

In de bijlagen worden de criteria om te kunnen spreken van ontwikkelingsdyspraxie nog eens opgesomd. Daarnaast vind je ook nog alle benodigde formulieren, die je ook gratis van de website http://www.ergoboek.nl/download%201.htm kunt plukken.

Dit boek is eerst en vooral een goed studieboek voor iedereen die zicht wil krijgen op de ontwikkeling van de fijnmotorische vaardigheden van kleuters. Sterk theoretisch onderbouwd, is het toch zeer toegankelijk. Niet in het minst doordat de juiste terminologie gebruikt én heel concreet uitgelegd wordt. Het observatie-instrument zal mensen in het onderwijs zeker helpen bij de vraag of een kleuter moet doorverwezen worden voor verder onderzoek en/of behandeling of niet. Terwijl het instrument niet onmiddellijk zal afgenomen worden door de klasleerkracht zelf, kan het toch een functie hebben als kijkwijzer om de fijnmotorische ontwikkeling van kleuters gerichter te volgen. Bij twijfel aan een voldoende ontwikkeling kan het instrument dan selectief afgenomen worden van de risicokleuters.

Waar dit boek misschien iets te gespecialiseerd lijkt om aan te kopen voor de schoolbibliotheek, meen ik wel dat het aanwezig zou moeten zijn in de bibliotheek van de schoolondersteunende diensten, waaronder de centra voor leerlingenbegeleiding.

afdrukken

2008.05.10

Startblokken van basisontwikkeling

Auteur: Frea Janssen-Vos & Bea Pompert
Titel: Startblokken van Basisontwikkeling. Een goed begin voor peuters en jongste kleuters.
Uitgeverij: Koninklijke Van Gorcum/APS
Plaats: Assen/Utrecht
Jaar: 2003
Pagina's: 217
ISBN-13: 978-90-232-3704-4
Prijs: € 33,50

startblokken van basisontwikkelingStartblokken van Basisontwikkeling is een boek dat door iedereen moet gebruikt worden die de ontwikkeling van peuters en kleuters tot 4 jaar actief willen stimuleren. Zeker in die klassen/scholen waar er kinderen uit achterstandssituaties zitten, kan men dit boek heel goed aanwenden. Het boek zelf is slechts één onderdeel van het onderwijsconcept Ontwikkelingsgericht onderwijs zoals het werd uitgewerkt door het Nederlandse onderwijsbureau APS. Wie meer wil weten over dit onderwijsconcept kan en mag contact opnemen met Ellen Zonneveld. Zij geeft je graag alle nodige informatie.

Het uitgangspunt van dit onderwijsconcept is dat je kansen van kinderen niet kunt vergroten door alleen maar uit te gaan van wat ze later zullen nodig hebben in het onderwijs of in de samenleving. Het is de taak van de volwassenen om het hier en nu van die kinderen zo stimulerend, uitdagend en inspirerend te maken en hen te helpen om dat te doen wat ze graag willen doen. Zij zijn als het ware de mediatoren die kinderen helpen en sturen naar de ontwikkelings- en leerprocessen die er aan komen. Een goed begin voor peuters en jongste kleuters betekent dan dat:

  • kinderen geholpen worden om te doen wat ze zelf willen en (bijna) kunnen in activiteiten die gericht zijn op hun persoonsontwikkeling
  • hun betrokkenheid, interesse en motivatie gestimuleerd wordt
  • er bemiddeld wordt tussen wat kinderen zelf belangrijk vinden en wat de volwassene nodig vindt voor een optimale ontwikkeling
  • kinderen, leerkrachten en ouders de ontwikkeling en het leren samen opbouwen

Concreet betekent dit dat de volwassenen meer doen dan enkel maar de ontwikkeling volgen. Ze zijn de ontwikkeling van de kinderen altijd één stap vooruit en leiden hen naar de volgende stap in hun ontwikkeling. Dit betekent dat men uitgaat van een visie waarbij de ontwikkeling van kinderen in doorgaande lijnen wordt uitgezet doorheen de volledige basisschool. En hierin ligt juiste de grote waarde voor kinderen in achterstandssituaties. Door deze kijk op onderwijs krijgen ook zij de stimulans, motivatie en betrokkenheid die ze anders zouden missen. Dit alles wordt nog uitgebreider beschreven in het eerste hoofdstuk.

Het tweede hoofdstuk gaat uitgebreid in op de ontwikkeling van peuters en jongste kleuters. Heel specifiek blijft het stilstaan bij de spelontwikkeling, de sociale ontwikkeling, de taalontwikkeling en de beginnende geletterdheid als de belangrijkste kenmerken van de ontwikkeling. Het derde hoofdstuk beschrijft dan op welke manier dit allemaal kan verwerkt worden in een pedagogisch werkplan. Een van de belangrijktse bouwstenen van dit werkplan zijn de doorgaande lijnen.

Het vierde hoofdstuk bespreekt het activiteitenaanbod voor de peuters en jongste kleuters. De kernactiviteiten voor die periode zijn de spelactiviteiten, het constructief spel en het werken met verhalen, boeken en teksten. De ontwikkelingsperspectieven die hierbij zijn uitgetekend maken voor mij het boek extra waardevol: ze verduidelijken niet alleen waarom men met iets bezig is, maar tonen glashelder aan dat hier de fundamenten gelegd worden voor de volledige latere ontwikkeling. Daarnaast beschrijft men in dit hoofdstuk zeer uitgebreid hoe men dit alles op een praktische manier in de klas kan uitwerken.

Het pedagogisch en didactisch handelen is het onderwerp van het vijfde hoofdstuk. Centraal hierbij staan de volgende aspecten, met als rode draad de actieve betrokkenheid van de leerkracht:

  • een veilige basis en een goed contact
  • het ontwerpen en plannen van activiteiten
  • het organiseren van activiteiten
  • het begeleiden en leiden van activiteiten
  • de taalverwerving en het Nederlands als tweede taal

Dit hoofdstuk is zo rijk dat het zich onmogelijk laat samenvatten.

Het zesde hoofdstuk gaat dieper in op het observeren, registreren en evalueren van de ontwikkeling van de kinderen. Centraal hierbij staan de observatiemodellen: men geeft aan hoe men naar de ontwikkeling kan kijken. Screeningslijsten waarbij men kruisjes moet zetten hebben hierin geen plaats.

Wie zich afvraagt hoe men dit alles moet vorm geven, kan terecht in het zevende hoofdstuk. Hier gaat men dieper in op de organisatie van een dergelijke manier van werken. Hierbij aansluitend gaat het achtste hoofdstuk dieper in op de plaats van de ouders bij dit alles. Het laatste hoofdstuk benadrukt de noodzaak van het verderzetten van deze manier van werken in het vervolgonderwijs.

Dit boek heeft ook het Vlaamse onderwijs heel wat te bieden. Het toont nog maar eens aan dat men vanaf de peuterklas preventief en proactief kan werken. Op die manier is het boek zeker ook aan te bevelen in het kader van de gelijke onderwijskansen. De inhoud zelf is een mooi uitgebalanceerde mengeling van theorie en praktijk en daardoor niet alleen geschikt voor de leerkrachten zelf, maar ook voor alle onderwijsbegeleiders die willen bijdragen tot het stimuleren van de ontwikkeling van jonge kinderen.

afdrukken

12:31 Gepost door Lieven Coppens in APS, Van Gorcum | Permalink | Email dit | Tags: kleuteronderwijs, ontwikkeling, taalontwikkeling, spelontwikkeling, peuters, kleuters, stimuleren, aps, zorg, observeren, gok | |

2008.05.03

Kinderen met dyscalculie

Auteur: Annemie Desoete & Tom Braams
Titel: Kinderen met dyscalculie
Uitgeverij: Boom
Plaats: Amsterdam
Jaar: 2008
Pagina's: 174
ISBN-13: 978-90-8506-368-1
Prijs: € 17,50

kinderen met dyscalculieLaat ik maar meteen met de deur in huis vallen: nog maar zelden heb ik een boek gelezen dat in zo'n vlotte stijl theorie en praktijk samenbrengt. Kinderen met dyscalculie moet je gewoon lezen als je op de een of andere manier te maken hebt met leerstoornissen. Annemie Desoete en Tom Braams hebben immers hun krachten gebundeld om, in een tijd waar er nog veel onduidelijkheden zijn over het verschijnsel dyscalculie, een zeer bevattelijk werk te schrijven. Dit boek is, zoals het op de achterflap vermeld staat, inderdaad een hulpmiddel bij het leren rekenen en de begeleiding van leerlingen.

Het eerste hoofdstuk draagt duidelijk de handtekening van Annemie Desoete. Het vormt de inleiding op het boek en laat zien dat rekenen heel veel van de vaardigheden van iemand vraagt. Wat voor een goede rekenaar vaak vanzelfsprekend is, blijkt vaak te steunen op een groot aantal onderliggende vaardigheden die (in de meeste gevallen) chronologisch moeten verworven worden. Daarnaast worden we voortdurend geconfronteerd met cijfers en getallen, die naargelang hun context een andere betekenis hebben. De auteurs geven in dit hoofdstuk een beschrijving en een (aanzet tot) verklaring van dyscalculie, tonen aan dat er verschillende vormen van dyscalculie bestaan en onderstrepen dat dyscalculie wel kan samengaan met andere stoornissen. In deze inleiding leert de lezer ook dat taal bij rekenen zeer belangrijk is. Niet alleen bij de betekenisgeving van cijfers en getallen, maar ook bij het uitvoeren van complexe rekenvaardigheden die een zeker abstractie nodig hebben. Tot slot tonen de auteurs aan dat een kind met dyscalculie dat niet goed begeleid wordt op korte en lange termijn geconfronteerd wordt met diverse problemen.

Het tweede hoofdstuk (van de hand van Tom Braams?) gaat dieper in op de schoolloopbaan van kinderen met dyscalculie. De auteur vertrekt van enkele concrete gevalsbeschrijvingen om dit deel uit te werken. Op kleuterleeftijd zijn er al een aantal vaststellingen te doen die er kunnen op wijzen dat kinderen op latere leeftijd dyscalculie kunnen hebben. Hoewel dit niet noodzakelijk zo is. Hieruit blijkt echter wel dat leren rekenen niet begint in het eerste leerjaar maar in de kleuterschool. De eerste graad van het lager onderwijs bouwt verder op de verworvenheden uit de kleuterschool. Aan de hand van een gevalsbespreking ontdekt de lezer dat er al in de eerste graad aanwijzingen kunnen zijn voor dyscalculie en krijgt hij adviezen om kinderen met problemen gericht te ondersteunen. In de tweede en de derde graad wordt er heel veel nieuwe leerstof aangeboden en is de kans erg groot dat een kind met dyscalculie ernstig achterop raakt. Een aangepast programma dringt zich dan vaak op, maar houdt ook een aantal gevaren in zich, niet in het minst een problematische overgang naar het secundair onderwijs. Ook dit stukje wordt afgesloten met een aantal concrete adviezen. Ook aan de overgang naar dat secundair onderwijs wordt aandacht besteed, evenals aan het herkennen van dyscalculie in het secundair.

Het derde hoofdstuk gaat dieper in op de diagnostiek. De verschillende fasen (aanmeldfase, onderzoeksfase, adviesfase) worden overlopen en geduid. Het vierde hoofdstuk verduidelijkt enkele principes bij de behandeling van dyscalculie en geeft enkele tips voor preventie. Hierbij maken de auteurs een onderscheid tussen de pedagogische en de didactische benaderingswijze en verdedigen ze de vragende instructie als methode. Dit is één van de rijkste hoofdstukken uit het boek en moet absoluut door iederen gelezen worden.

Het vijfde hoofdstuk is nagenoeg het meest praktische en gaat over de instructieaanpak in de basisschool. Omwille van het belang van dit hoofdstuk geef ik in het kort de verschillende onderdelen weer:

  • specifieke instructieaanpak van kleuters
  • specifieke instructieaanpak van...
    • lezen en schrijven van getallen tot 10
    • lezen, schrijven en begrijpen van getallen 11 en 12
    • lezen, schrijven en begrijpen van getallen tussen 12 en 100
    • lezen, schrijven en begrijpen van getallen tussen 12 en 1000
    • lezen, schrijven en begrijpen van heel grote getallen
    • lezen, schrijven en begrijpen van operatoren
    • bewerkingen tot 100, 1000
    • tafels van vermenigvuldiging en delen
    • lezen, schrijven en begrijpen van breuken, kommagetallen en procenten
    • meten
    • contextrijke opgaven
  • leren van lessen en maken van huiswerk

Het zesde hoofdstuk verplaatst de focus naar het secundair onderwijs. Enkele gevalsbeschrijvingen maken eerst de impact van dyscalculie duidelijk. De rest van het hoofdstuk staat in het teken van de stimulerende, compenserende, remediërende, relativerende en dispenserende maatregelen voor jongeren met dyscalculie.

Het zevende hoofdstuk is geschreven naar de ouders toe en is opgebouwd rond vier sleutelwoorden: emoties, kennis, communicatie en handelen. Het is tevens verplichte literatuur voor iedereen die ouders van een kind met dyscalculie deskundig willen begeleiden.

Het laatste hoofdstuk geeft een overzicht van beschikbare rekenmaterialen en rekensoftware.

En om de deur van daarnet weer te sluiten: als je in jouw boekenbudget nog slechts € 20,- hebt, dan is dit het boek waaraan je deze moet besteden. Wat mij betreft is het immers een standaardwerk over dyscalculie dat nog lang stand zal houden.

afdrukken

16:26 Gepost door Lieven Coppens in Boom | Permalink | Email dit | Tags: taal, adhd, add, nld, kleuters, kleuteronderwijs, didactiek, basisonderwijs, secundair onderwijs, dyscalculie, stimuleren, compenseren, relativeren | |

Alle berichten