2009.01.25

Zit stil!

Auteur: Theo Compernolle en Theo Doreleijers
Titel: Zit stil! Handleiding voor het opvoeden van overbeweeglijke kinderen.
Uitgeverij: Lannoo
Plaats: Tielt
Jaar: 2002 (drieëntwintigste druk)
Pagina's: 172
ISBN-13: 978-90-209-4454-9
Prijs: € 17,95

zit stilEen boek dat aan zijn drieëntwintigste uitgave toe is, hoeft eigenlijk niet meer voorgesteld of besproken te worden. Het heeft zijn waarde al bewezen. Toch merk ik dat het niet altijd bekend is bij hen die er heel wat kunnen aan hebben, de ouders of opvoeders van overbeweeglijke en gedragsmoeilijke kinderen. Dit lijkt me een voldoende reden om het boek opnieuw onder de aandacht te brengen.

De auteurs leggen in een uitgebreide inleiding uit waarom ze het boek geschreven hebben en wat ze ermee bedoelen. De nadruk ligt op het doen: het is een werkboek voor ouders en de mensen die samen met hen mee in staan voor de opvoeding van een kind, thuis en op school. Verder leggen ze uit hoe het boek moet gelezen worden en geven ze de lezer een woordenlijst mee die een aantal essentiële begrippen verklaart.

In het eerste hoofdstuk leggen de auteurs uit wat overbeweeglijkheid is en wat de meest voorkomende oorzaken zijn. Ze geven telkens een kort woordje uitleg bij de verschillende mogelijke oorzaken, zoals daar zijn: psychosociale oorzaken, erfelijke factoren, hersenbeschadiging, hersendysfunctie, voedselallergie of een combinatie van verschillende oorzaken. Ze stellen ook heel duidelijk dat de ernst van de uitingen afhankelijk is van verschillende omstandigheden, niet in het minst van de opvoeding. Voorbeelden en schema's verduidelijken het geheel. Belangrijk is echter wel dat ze extra benadrukken dat het niet altijd mogelijk is om de eigenlijke oorzaak te achterhalen, maar dat dit niet wegneemt dat onderzoek toch wel kan aangeven hoe de behandeling er moet uitzien.

De auteurs beschrijven in het tweede hoofdstuk een aantal principes waar ouders rekening moeten mee houden als ze hun kind een bepaald nieuw gedrag willen aanleren. In veertien verschillende stukjes vertalen ze deze principes in concrete oudertaal. Aan bod komen onder andere:

  • (sociale) aanmoediging als voorwaarde tot leren;
  • de rol van de context en de omstandigheden bij het uitlokken van het gewenste gedrag;
  • de noodzaak om aanmoediging en ontmoediging van elkaar te scheiden.

Het derde hoofdstuk staat helemaal in het teken van het afleren van ongewenst gedrag. De auteurs leggen eerst uit hoe ongewenst gedrag in stand wordt gehouden en gaan uitgebreid in op de rol van straf. Verder reiken ze een aantal concrete hulpmiddelen aan die ouders kunnen gebruiken bij het afleren van ongewenst gedrag.

Tot en met het derde hoofdstuk hebben de auteurs nog geen specifieke aanpak voor overbeweeglijke kinderen (met ADHD) voorgesteld. Dit verandert vanaf hoofdstuk vier. In dit hoofdstuk geven de auteurs enkele adviezen die heel specifiek zijn voor de begeleiding van overbeweeglijke kinderen. Aan bod komt onder andere:

  • het belang van eenvoud en structuur;
  • het vermijden van afleiding en onnodige prikkels;
  • het belang van het voorbereiden van een overbeweeglijk kind op nieuwe situaties;
  • het aanleren van zelfcontrole;
  • het inschakelen van broers en zussen;
  • het belang van fysieke en mentale ruimte waarin het kind mag uitrazen;
  • het belang van een goede en nauwe samenwerking met de school.

Het vijfde hoofdstuk vult dit eigenlijk aan, omdat het helemaal in het teken staat van een ander principe bij de aanpak van overbeweeglijke kinderen, namelijk de eensgezindheid van de ouders. Dit wordt verderop in het hoofdstuk uitgebreid naar eensgezindheid tussen alle volwassenen die omgaan met het overbeweeglijke kind.

Pas in het zesde en laatste hoofdstuk gaan de auteurs dieper in op kinderen met ADHD. De kenmerken zoals ze in de DSM-IV staan worden opgesomd en kort toegelicht. Daarbij staan de auteurs uitgebreid stil bij de vele problemen die kinderen met ADHD kunnen ondervinden (coördinatieproblemen, concentratieproblemen, leerproblemen, ...). Ook de comorbiditeit van ADHD met andere problemen wordt besproken. Dit hoofdstuk besluit met de prognose voor kinderen en adolescenten met ADHD.

Dit boek helpt ouders van een overbeweeglijk kind (met ADHD) aardig op weg om het nog beter te begrijpen en nog consequenter te begeleiden. Alles wordt duidelijk uitgelegd en toegelicht met voorbeelden waar nodig. Hierdoor heeft het boek een zeer grote onmiddellijke toepasbaarheid.

afdrukken

18:08 Gepost door Lieven Coppens in Lannoo | Permalink | Tags: adhd, tourette, tics, ticstoornis, autisme, ass, autismespectrum, gedrag, leerprobleem | |

2009.01.10

Rekenen/Wiskunde

Auteur: Carina ter Beek
Titel: Rekenen/Wiskunde. Regels en definities.
Uitgeverij: Pearson Assessment and Information BV
Plaats: Amsterdam
Jaar: 2006
Pagina's: 112
ISBN-13: 978-90-265-1787-7
Prijs: € 15,00

rekenen/wiskunde. regels en definitiesEen formularium: een handig naslagwerk voor iemand die snel zijn kennis over één of ander reken- of wiskundefacet wil opfrissen; Een beknopt maar nuttig hulpmiddel voor de student uit het secundair onderwijs die net een woordje uitleg meer nodig heeft om iets uit het rekenen of de wiskunde beter te begrijpen; Een goede ondersteuning voor studenten met problemen voor rekenen en wiskunde die het allemaal niet zo goed kunnen onthouden: zo kan je het boekje van Carina ter Beek onder andere noemen. Oorspronkelijk bedoeld voor het Nederlandse voortgezette onderwijs, kan het zeker ook in het Vlaamse secundaire onderwijs gebruikt worden (en tot op zeker hoogte ook in de 3e graad van het basisonderwijs).

Het boekje bestaat uit vier grotere delen. Het eerste deel bevat rekenregels en rekentips. Hier wordt de basiskennis van het rekenen zeer concreet uitgelegd en aangevuld met handige tips om één en ander nog vlotter te laten verlopen. Zo vind je er bijvoorbeeld de voorrangsregels voor het rekenen, uitleg en tips over het rekenen met breuken, de formules voor de omtrek en oppervlakte van figuren en nog veel meer. Waar nodig gebruikt de auteur concrete voorbeelden of afbeeldingen om een onderwerp te verduidelijken.

In het tweede deel vind je concrete uitleg over enkele instrumenten zoals een geodriehoek, de kompasroos (een 360 gradenboog), de passer, de zakrekenmachine en het roosterpapier. Een afbeelding toont het instrument en tekst geeft uitleg over het juiste gebruik.

Het derde deel is meteen het meest uitgebreide. Het is een alfabetisch register dat definities en voorbeelden bevat van meer dan 150 begrippen uit het rekenen en de wiskunde. Deze worden allemaal heel duidelijk uitgelegd. Zo kan je heel snel het verschil opzoeken tussen begrippen zoals modus, mediaan en gemiddelde maar leer je eveneens de betekenis van het woord variabelen of kun je onder procenten snel opzoeken hoe je een kortingspercentage berekent.

Het vierde deeltje bevat een vijftal mnemotechnische hulpmiddeltjes of ezelsbrugjes waarmee je dingen zoals de volgorde van de bewerkingen (tot en met het machtsverheffen en het worteltrekken kunt onthouden. Of wat dacht je van de prozaïsche zin Hoe moeten wij van de onvoldoendes afkomen (haakjes -> machten -> wortels -> vermenigvuldigen -> delen -> optellen -> aftrekken)?

Het boekje besluit met een tafelkaart in bijlage en een uitgebreid alfabetisch register dat je snel naar alle bladzijden brengt die over het gezochte onderwerp iets vertellen.

Wat mij bijzonder in dit boekje aanspreekt is de sobere maar duidelijke opmaak, het eenvoudige en doelgerichte taalgebruik (overwegend korte zinnetjes, puntgewijze opsommingen die men snel kan uit het hoofd leren en gebruiken als mentale stappenplannen, ...) en de talrijke voorbeelden en afbeeldingen ter ondersteuning of verduidelijking.

Een boekje waar ik zelf snel zal teruggrijpen. Kortom, op zijn minst een hebbeding voor de bibliotheek van de vakgroep wiskunde.

afdrukken

23:24 Gepost door Lieven Coppens in Pearson | Permalink | Tags: basisonderwijs, stimuleren, compenseren, remedieren, dispenseren, rekenen, secundair onderwijs, formularium | |

2009.01.03

Puzzelen aan een uitdagende leeromgeving

Auteur: Audrey Deleu & Delphine Wante
Titel: Puzzelen aan een uitdagende leeromgeving. Basisdidactiek voor de leraar lager onderwijs.
Uitgeverij: Plantyn
Plaats: Mechelen
Jaar: 2008
Pagina's: 246
ISBN-13: 978-90-301-9319-7
Prijs: € 40,00

puzzelen aan een uitdagende leeromgeving - basisdidactiek voor de leraar lager onderwijsNog maar heel recent deed het competentiegericht leren zijn intrede in het Vlaamse onderwijs.Met dit boek over didactiek geven de auteurs aan hoe dit in het lager onderwijs kan gerealiseerd worden met een uitdagende leeromgeving. Het eerste deel verduidelijkt het didactisch model van waaruit dit boek is geschreven. In dit model staan twee bakens centraal: enerzijds is daar de leerling en anderzijds zijn daar de doelen die men wil (moet) bereiken. De leerkracht kan een uitdagende leeromgeving pas realiseren als hij met deze twee bakens tegelijk rekening houdt en zijn persoonlijke vertaling maakt van een aantal didactische handvaten (die trouwens niet gebonden zijn aan één bepaalde onderwijsvisie) die de basis kunnen vormen voor deze uitdagende leeromgeving. Deze handvaten zijn:

  • Een uitdagende instap of activerende probleemstelling;
  • Integratie;
  • Concreet aanschouwelijk werken;
  • Individualiseren;
  • Leerlinginitiatief;
  • Doelgericht leren;
  • Interactief leren;
  • Werkelijkheidsnabij onderwijs;
  • Sfeer en klasklimaat.

Het tweede deel gaat uitgebreid in op de twee bakens voor een uitdagende leeromgeving: de leerling en de doelen. Eerst en vooral is de beginsituatie van de leerling het vertrekpunt voor een uitdagende leeromgeving. Het is uit deze beginsituatie dat de leerkracht de doelen die hij wil nastreven en bereiken, haalt. Eén nuancering dringt zich hierbij wel op: de verwachte beginsituatie stemt niet altijd overeen met de actuele beginsituatie zoals de leerkracht die aantreft bij zijn leerlingen. Voor alle duidelijkheid: de beginsituatie is ruimer dan enkel het cognitieve. Andere factoren die ze meebepalen zijn de leefwereld van het kind, zijn persoonlijke ontwikkeling, het gedrag van het kind op school en zijn situatie in de klasgroep. De leerkracht moet niet alleen rekening houden met de beginsituatie van de leerling, maar ook met deze van de klas en de school. Het is dus belangrijk dat de leerkracht deze beginsituatie zo snel en goed mogelijk in kaart brengt. Dit kan onder andere door toetsen en observeren maar zeker ook door gesprekken te voeren met individuele leerlingen. Als het baken van de leerling afdoende verkend is, moet de leerkracht zicht richten op de doelen die hij wil nastreven en bereiken. Deze doelen zullen immers zijn keuze van leerinhouden, media, werkvormen, ... beïnvloeden. Het kiezen van de juiste doelen is dan ook een zeer belangrijke basis-competentie voor een leerkracht. De rest van dit tweede deel is er dan ook helemaal aan gewijd.

Het derde deel beschrijft hoe men uitdagende leeromgevingen tot stand kan brengen. In dit uitgebreide hoofdstuk gaan de auteurs achtereenvolgens in op:

  • De rol van de leerkracht als begeleider, opvoeder en organisator;
  • De rol van de leerinhouden en de noodzaak van een zorgvuldige keuze;
  • De rol van de werkvormen en de manier waarop ze competenties kunnen beïnvloeden;
  • De rol van de media en het belang van een zorgvuldige en weloverwogen keuze;
  • De rol van de evaluatie binnen een nieuwe cultuur waarbij de leerling mee verantwoordelijk is voor het eigen leren.

Al deze rollen worden uitgebreid besproken en krijgen hun plaats binnen het geheel. Ze zijn immers veelzijdiger dan men bij een eerste en eenvoudige opsomming zou denken.

Een beschrijving van de drie grote delen in het boek doet het geheel onrecht aan. De meerwaarde ervan ligt in de opzet van het geheel als een studieboek dat door zijn uitwerking de eigen inhoud waarmaakt. Eenvoudiger gezegd: de aandachtige lezer zal merken dat het competentiedenken ook de ruggengraat was waarrond het boek gestalte kreeg. Gevalsstudies en concrete voorbeelden maken het boek voor de lezer werkelijkheidsnabij. Gerichte opdrachten doen de lezer nadenken over de inhouden en zorgen voor een actuele beginsituatie waarop de auteurs als vanzelfsprekend de gewenst doelen en inhouden enten. De doelen die ze bij de verschillende hoofdstukken nastreven zijn trouwens doorheen het boek transparant aangegeven. Terwijl het een praktijkboek is, gekruid met heel wat concrete tips, staan de auteurs toch geregeld stil bij de theoretische achtergronden waarop ze zich baseren. Deze worden telkens beknopt en duidelijk uitgelegd.

Voor mij is dit boek op zich al een uitdagende leeromgeving voor het ganse schoolteam. Voor toekomstige leerkrachten is het een echt didactisch leerboek, voor leerkrachten in de praktijk een ideaal bijscholingsboek.

afdrukken

18:38 Gepost door Lieven Coppens in Plantyn | Permalink | Tags: didactiek, lager onderwijs, competenties | |

Rekenen tot honderd

Auteur: Raf Feys
Titel: Rekenen tot honderd. Basisvaardigheden en zorgverbreding.
Uitgeverij: Plantyn
Plaats: Mechelen
Jaar: 1998 (tweede druk 2002)
Pagina's: 200
ISBN-13: 978-90-301-1779-7
Prijs: € 27,50

rekenen tot honderd - basisvaardigheden en zorgverbredingHet beheersen van de basisvaardigheden in het getallenbereik tot honderd is essentieel voor het succes bij het verdere rekenonderwijs. Binnen het domein van de zorg en de zorgverbreding nemen deze dan ook een belangrijke plaats in. Wie veel met rekenen in het basisonderwijs bezig is, heeft zeker al gemerkt dat er verschillende opvattingen bestaan over hoe men de problemen met de basisvaardigheden tot honderd het beste aanpakt. Raf Feys helpt met dit boek zijn lezers om binnen deze veelzijdigheid een weg te vinden en vult dit alles waar nodig aan met nieuwe zienswijzen.

In zijn algemene inleiding maakt Raf Feys het al meteen duidelijk. We moeten noch het kind, noch het badwater weggooien, en zeker niet allebei. We moeten het badwater gewoon op de juiste temperatuur krijgen. Hoe we dat kunnen doen? Onder andere door de goede elementen uit de klassieke rekendidactiek te herwaarderen en het formalisme weg te werken. Daarbij moet de zorgverbreding voor wiskunde meer aandacht krijgen en moeten recente ontwikkelingen (bv. het gebruik van de zakrekenmachine in de rekenles van de hogere leerjaren) een kans krijgen. De auteur omschrijft hierbij een elftal "oude waarden" die volgens hem moeten geherwaardeerd worden.

In deze inleiding zet Raf Feys de visie van het realistische tegenover deze van het constructivistische rekenonderwijs. Van beide visies zet hij de voor- en de nadelen op een rijtje om te besluiten dat de oplossing niet ligt in het lanceren van een nieuwe rekentheorie maar wel in een verfijning en een bijsturing van de realistische visie door deze te bevruchten met de vele goede waarden uit de eigen rekentraditie. Wat hem betreft is er geen nood aan een nieuwe rekentheorie, zoals de intussen afgevoerde "Moderne Wiskunde", die alles zal oplossen. Een aantal knelpunten van het realistische rekenonderwijs die hiermee zouden opgelost worden zijn:

  • Te weinig automatisering en te weinig oefenstof;
  • Onvoldoende inzicht in de opbouw van de rekenlijnen;
  • Te weinig oefenstof en alternatieven voor zowel de goede als de zwakke rekenaars;
  • Te weinig voorbeelden van contextproblemen en toegepassingsgerichte oefeningen.

Na de inleiding wordt het boek opgesplitst in twee grote delen. In het eerste deel bespreekt de auteur het optellen, aftrekken en splitsen tot twintig. In dit deel beklemtoont hij eerst en vooral het belang van de automaticiteit. Uitgangspunt hierbij is dat zwakke leerlingen er met het inzicht alleen niet komen: door de bewerkingen en splitsingen te automatiseren beschikken ze over een stabielere rekenbasis. Verder houdt de auteur een pleidooi om de voorkennis van de leerlingen uit het eerste leerjaar mee te nemen in de rekendidactiek en mede op basis daar van het inzicht in de bewerkingen te vestigen. Tegelijk benadrukt hij in dit deel het belang van een sturende didactiek voor de zwakke rekenaars.

Verder in dit eerste deel gaat de auteur dieper in op een aantal specifieke didactische principes zoals de volgorde waarin men het splitsen, optellen en aftrekken moet aanbrengen, het tijdstip waarop men de overbrugging van het tiental moet aanbrengen, het gebruik van getallenbeelden, de overgang van het aanschouwelijk naar het mentaal rekenen en de plaats van de vraagstukken en de puntsommen in het rekenonderwijs. Hierbij neemt hij heel duidelijke standpunten in, telkens bekeken vanuit het kind met zorgvragen.

In het tweede deel behandelt de auteur de getallenkennis en het optellen en aftrekken in het getallen-gebied van twintig tot honderd. Dit deel is veel korter dan het eerste, maar niet minder belangrijk. Het uitgangspunt is zeer duidelijk: uit een Nederlands onderzoek is gebleken dat 45% van de Nederlandse kinderen uit groep 5 nog problemen hebben met de moeilijkste opgaven uit het getallengebied tot hon derd. Zonder daarom iets over Vlaanderen te zeggen, stelt de auteur - mijns inziens terecht - dat daaruit blijkt dat het rekenen tot honderd een zeer doordachte aanpak vereist. De volgende thema's komen in dit deel aan bod:

  • Getallenkennis als basis voor het optellen en aftrekken tot honderd;
  • Hoofdrekenen, cijferrekenen en kolomsgewijs rekenen;
  • De cumulatieve opbouw van het gestandaardiseerde rekenen;
  • Voor- en nadelen van de doorreken- en de splitsprocedure;
  • Het werken met aanschouwelijke leermiddelen;
  • Gevarieerd hoofdrekenen en schattend hoofdrekenen;
  • Het verschil tussen een non-directieve en een meer gestuurde methodiek;
  • Het vraagstuk van het vraagstukkenonderwijs.

Meer dan een algemeen werk over rekendidactiek geeft dit boek inzicht in de specifieke didactische vereisten van een goede rekenaanpak in het eerste en tweede leerjaar. Zoals zo vaak helpt het standpunt van het kind met zorgvragen om inzicht te krijgen in wat er allemaal kan fout gaan. Tegelijk helpt het dan ook om de reguliere rekendidactiek bij te sturen. Dit laatste is geen overbodige luxe. Wie de inleiding op het remediëringspakket Rekenspoor heeft gelezen weet dat de auteurs een van de oorzaken van rekenproblemen binnen de school en niet binnen het kind leggen maar binnen de school, namelijk de rekenmethode die gebruikt wordt en de manier waarop de leerkracht daarmee omgaat. Wat betreft de methode is het abstractieniveau waarop nieuwe leerstof wordt aangeboden van belang. In sommige methodes zijn de leerstappen te groot, waardoor een deel van de kinderen al snel afhaakt. Veel nieuwere methodes stellen zeer hoge eisen aan het didactisch handelen van de leerkracht. Leerprocessen worden vanuit het werken met concreet materiaal opgebouwd. Als deze processen niet goed worden begeleid, ontstaan stagnaties in het leren rekenen (blz. 10, Rekenspoor a).

Een niet te verwaarlozen naslagwerk.

afdrukken

14:19 Gepost door Lieven Coppens in Plantyn | Permalink | Tags: lager onderwijs, didactiek, zorg, rekenen | |