2009.07.26

Denken is leuk!

Auteur: Laura Groebbé
Titel: Denken is leuk! Praktisch handboek voor hoogbegaafde kinderen, hun ouders en leerkrachten.
Uitgeverij: Graviant
Plaats: Doetinchem
Jaar: 2007
Pagina's: 152 + DVD
ISBN-13: 978-90-75129-71-7
Prijs: € 31,-

denken is leuk - praktisch handboek voor hoogbegaafde kinderen, hun ouders en leerkrachtenVaak lijken hoogbegaafde kinderen op een andere planeet te wonen. Hun manier van denken sluit niet aan op het denken van hun leeftijdsgenoten, de taal die ze spreken lijkt een andere betekenis te hebben. Dit is een probleem voor deze kinderen, maar vaak ook voor hun ouders, leerkrachten en begeleiders. Het is belangrijk dat de omgeving thuis en op school goed afgestemd is op het denkniveau van het kind, om te voorkomen dat het hoogbegaafde kind probleemgedrag ontwikkelt. In dit boek krijgt men inzicht in het denkproces van het hoogbegaafde kind en krijgt men tips en handvaten om een kind dat blokkeert op sociaal-emotioneel en-/of cognitief gebied verder te begeleiden in zijn denk- en leerproces.

In het eerste hoofdstuk wordt het fenomeen 'hoogbegaafd zijn' grondig toegelicht. Vertrekkende vanuit het model van Mönks staat de auteur onder andere stil bij de kenmerken van hoogbegaafdheid, het signaleren, diagnosticeren, aanpakken van hoogbegaafdheid, maar ook bij thema's zoals onderpresteren, de sociale en emotionele ontwikkeling van het hoogbegaafde kind, de functie van de verrijkingsklas en meer. Dit alles wordt tot leven gebracht met citaten van hoogbegaafde kinderen, gedichten en gevalsbeschrijvingen.

In het tweede hoofdstuk houdt de auteur een pleidooi om een hoogbegaafd kind niet te beoordelen op zijn resultaten bij het dagdagelijkse, klassieke leren maar wel op zijn geleverde prestaties. Of zoals een hoogbegaafd kind het zelf verwoord heeft:

Mijn hoofdje zit propvol goede ideeën, maar op school moet ik leren (blz.44).

Het antwoord hierop is duidelijk: laat deze kinderen meedenken, onderzoeken en bepaal samen met deze leerlingen hoe de inhoud van een les eruit gaat zien. Men moet vermijden dat hoogbegaafde kinderen die met veel enthousiasme en interesse aan de lagere school beginnen al snel gedemotiveerd geraken omdat het systeem niet afgestemd is op hun niveau.

In het derde hoofdstuk doet de auteur de theorie van Sternberg uit de doeken, de theorie die aan de basis ligt van het concept van de Wereldtaal. Het gaat hier niet langer om intelligent gedrag dat zich richt op één doel, maar om succesvol intelligent gedrag dat een optimaal evenwicht tracht te krijgen om de eigen doelen te bereiken. Evenwicht tussen het analytisch vermogen, het creatieve vermogen en het praktische vermogen. Het proces is hierbij belangrijker dan het resultaat.

Hoogbegaafde kinderen die geblokkeerd zijn in hun leer- en denkproces kunnen daar heel moeilijk over praten. Sommigen gaan zich overmatig aanpassen en proberen om op geen enkele manier op te vallen, anderen gaan een heel zichtbare leer- en gedragsproblematiek ontwikkelen. Om de communicatie te bevorderen, heeft de auteur het concept van de Wereldtaal uitgewerkt.

Dit concept wordt helemaal uitgelegd in het vierde hoofdstuk. Dit is een belangrijk hoofdstuk omdat het Denkdeurtjesmodel van de auteur daar helemaal op gebaseerd is. In het vijfde hoofdstuk leren we daar alles over. De Denkdeurtjes vertalen de drie componenten van het succesvol intelligent gedrag naar het niveau van de kinderen:

  • Deurtje 1; analytisch vermogen: de schoolvakken. Heb ik er iets van geleerd?
  • Deurtje 2; creatief vermogen: het buikgevoel. Wat is mijn mening? Welk gevoel heb ik er bij? Wat is mijn idee? Hoe vond ik de opdracht?
  • Deurtje 3; praktisch vermogen: het uitvoeren van de opdracht. Hoe ben ik tot dit resultaat gekomen? Hoe verliep de samenwerking? Hoe was mijn werkhouding? Heb ik indien nodig om hulp gevraagd? Hoe is de verzorging van mijn werk?

Als de kinderen in staat zijn om deze deurtjes zelf te openen, dan zijn ze in balans. Is dat niet zo, dan is het een zaak voor de begeleider om samen met het kind naar de nodige sleutels te zoeken. Twee gevalsstudies lichten dit alles toe.

In het zesde en zevende hoofdstuk gaat de auteur dieper in op het gebruik van de Wereldtaal en het Denkdeurtjesmodel op de basisschool. In het achtste hoofdstuk wordt bekeken hoe men de Wereldtaal in de opvoeding van de kinderen thuis kan integreren.

In het negende hoofdstuk bespreekt de auteur het gebruik van de Wereldtaal in de verrijkingsklas. In het tiende en laatste hoofdstuk gunt hij ons een kijkje in de verrijkingsklas zelf.

Bij het boek hoort een DVD met daarop 3 videofragmenten. Je hoort er een moeder praten over de weg die ze met haar hoogbegaafde dochter heeft afgelegd, hoogbegaafde kinderen beklemtonen hoe belangrijk gelijkgestemde leeftijdsgenoten zijn en je ziet een vierjarige kleuter lezen in een kinderencyclopedie. Verder staan er op de DVD nog enkele werkbladen die bij het Denkdeurtjesmodel kunnen gebruikt worden.

Denken is leuk! is een boek met een visie. En een hart voor kinderen die hoogbegaafd zijn. Het is heel praktisch van aard maar gaat veel verder dan het inschakelen van materialen die gemaakt zijn voor hoogbegaafde kinderen. De auteur heeft zijn ervaringsdeskundigheid omgezet in een bruikbaar model. Je hoeft het er niet noodzakelijk mee eens te zijn, maar je moet het mijns inziens wel gelezen hebben.

Warm aanbevolen!

afdrukken

Overwin dyslexie!

Auteur: Anneke Tulner-Hepkema
Titel: Overwin dyslexie! Handig leren omgaan met lees- en spellingproblemen
Uitgeverij: Graviant
Plaats: Doetinchem
Jaar: 2008
Pagina's: 240 + Cd-rom
ISBN-13: 978-90-75129-77-9
Prijs: € 43,-

overwin dyslexie - handig leren omgaan met lees- en spellingproblemenSoms krijgen boeken niet de aandacht die ze verdienen. Als we het voorwoord op dit boek door professor Wied Ruijssenaars lezen, dan is dit ook met dit boek het geval:

De aanpak van ernstige problemen met lezen en spelling - ook wel samengevat onder de noemer woordblindheid of dyslexie - vereist veel deskundigheid en inlevingsvermogen. Daarbij is een omvangrijk en steeds verder groeiend kennisbestand behulpzaam, mede gebaseerd op theorievorming en wetenschappelijk onderzoek. De internationale aandacht voor deze problemen is groot en de discussie over de verklaringen en oplossingen levendig. Er is vooruitgang, maar voorzichtig en in kleine stappen. Elk antwoord roept nieuwe vragen op. Zo verloopt nu eenmaal de ontwikkeling van een deugdelijke benadering. 

Maar er is een tweede weg die onmisbaar is voor vooruitgang: die van de systematische en telkens bijgestelde praktijkervaring. Ook dat is een weg van lange adem en van voortdurend kritisch stilstaan bij concrete resultaten. Elk stap toetst de voorgaande en leidt tot bijgestelde ideeën. Als dit goed gebeurt, dan is de opbrengst geweldig. Zonder kloof tussen theorie en praktijk ontstaat een rijk arsenaal aan controleerbare ideeën. Het werk van Anneke Tulner-Hepkema is een schoolvoorbeeld van uitstekend doordachte en systematisch ontwikkelde ervaringskennis, in meer dan een halve eeuw tot stand gekomen. Vanaf het eerste moment dat ik, ruim tien jaar geleden, in aanraking kwam met haar omvangrijke werk was ik onder de indruk van de rijkdom, de consequente opbouw en de theoretische verantwoording van elk idee (blz.3).

Met deze referentie van een man die ook in Vlaanderen veel bekendheid heeft verworven op het domein van de leerproblemen als uitgangspunt, moest dit boek beslist een plaatsje krijgen op BOEKetje onderwijs.

Het boek bestaat uit twee delen. In het eerste deel worden de achtergronden van het oefenmateriaal voorgesteld. Naast een algemeen hoofdstuk over dyslexie en de impact ervan op kind en omgeving en enkele voorwaarden voor een goede behandeling, worden in het tweede hoofdstuk de theoretische en historische achtergronden van het werk van de auteur beknopt weergegeven. Het derde hoofdstuk staat stil bij de achtergrond van het boek en de didactische principes die toegepast worden in de aanpak. Heel interessant in dit hoofdstuk is de paragraaf over de spraakbewegingen, die bij verwarring van de letters bij het aanvankelijk lezen kunnen gebruikt worden als spraaksteun.

Het tweede deel is het praktijkgedeelte. Hierin vindt men een ruime selectie van het materiaal dat de auteur doorheen de jaren ontwikkelde. Het is als volgt ingedeeld:

  • ontdekken waar de fout zit
  • schrijven en oriëntatie
  • klank-hulpkaarten
  • klanktekenkoppeling
  • moeilijke klanken
  • woord- en lettercombinaties
  • lange en korte klinker
  • hulptekens voor lezen en afgesleten klinkers
  • uitgangen, voor- en achtervoegsels
  • kolommendictee
  • grammaticale termen
  • het werkwoord
  • leen- en bastaardwoorden

De meerwaarde van dit praktijkgedeelte ligt erin dat het geen opeenvolging is van oefenblaadjes. Voortdurend verwijst de auteur bij het oefenmateriaal naar de achtergrond, de theorie, het waarom van de aanpak en geeft hij tips voor de begeleider in verband met het aanbrengen, het vermijden van valkuilen en dergelijke meer. Ik geef één van de ontelbare tips als voorbeeld:

Een heel moeilijk te onthouden klank is de eu van 'neus'. Om het goed te onthouden of het nu 'eu' is of 'ue', wordt gezegd: 'denk aan: "de zus". Je zegt nooit: "zus de". Dus: eerst de [u] van 'de' en dan de [u] van 'zus'(blz.29).

Bij dit boek hoort een Cd-rom. Deze bevat 270 werkbladen uit het boek in PDF-formaat en een paar extra's.

Een boek dat in een periode waarin het Evidence Based werken ook zijn intrede doet in het onderwijs, meer dan op tijd komt.

afdrukken

13:19 Gepost door Lieven Coppens in Graviant | Permalink | Tags: lezen, spelling, taal, dyslexie, remedieren, leerprobleem, leesprobleem, spellingprobleem | |

2009.07.25

Oplossingsgerichte korte psychotherapie

Auteur: Hans Cladder
Titel: Oplossingsgerichte korte psychotherapie.
Uitgeverij: Pearson Assessment and Information BV
Plaats: Amsterdam
Jaar: 2005 (vierde licht gewijzigde druk)
Pagina's: 128
ISBN-13: 978-90-265-1766-2
Prijs: € 23,11

oplossingsgerichte korte psychotherapieIn dit boek schetst de auteur een helder en inzichtelijk beeld van de oplossingsgerichte korte psychotherapie. Zoals de naam het zegt, staat bij deze therapievorm het vinden van een oplossing centraal en niet langer de zoektocht naar de aard van het probleem. Hierdoor kan de therapieduur opmerkelijk verkort worden.

In de inleiding schetst de auteur de geschiedenis van het therapiemodel. In het tweede hoofdstuk staat hij stil bij de uitgangspunten en vergelijkt hij het model met het medische model en met de rationele therapie van Ellis. De theorie van het oplossingsgerichte model komt dan beknopt aan bod in het volgende hoofdstuk. De resultaten van dit model vormen het onderwerp van het vierde hoofdstuk.

De volgende hoofdstukken zijn meer praktisch van aard. Het vijfde hoofdstuk legt uit hoe het eerste gesprek er uit ziet. Hoe pakt men het aan? Is er een klacht? Wat wil men weten over de klacht? Zijn er uitzonderingen op die klacht? Deze vragen nemen een centrale plaats in. Een protocol helpt om tot een bruikbare gespreksvoering te komen. Dit alles wordt toegelicht met concrete aandachtspunten voor de therapeut. Het zesde hoofdstuk vult dit aan met het protocol voor het vervolggesprek. Wie wil weten hoe die gesprekken concreet verlopen, kan terecht in het zevende hoofdstuk waarin twee voorbeelden van een eerste gesprek en twee voorbeelden van een vervolggesprek zijn uitgeschreven.

In het achtste hoofdstuk gaat de auteur dieper in op een aantal speciale situaties die zich kunnen voordoen. Eén ervan is een situatie waarbij de cliënt vindt dat een ander maar moet veranderen. Daarnaast geeft hij tips voor het werken met ouders en verwijzers, het omgaan met stagnaties en het werken met groepen.

Het negende hoofdstuk gaat over de taal als drager van het therapeutisch gesprek. Essentieel is dat de vraag van de therapeut het antwoord van de cliënt vormt. Het maakt dus wel degelijk verschil of je vraagt: "Hoe voorkom je terugval?" of: "Hoe blijf je op het goede spoor?". Alleen de laatste vraag laat toe dat de cliënt een compliment in zichzelf vindt. En daar is het tenslotte om te doen.

In hoofdstuk tien bespreekt de auteur het gebruik van oplossingsgerichte korte psychotherapie bij kinderen en jeugdigen. Hij gebruikt hiervoor het model van Metcalf als leidraad.

In hoofdstuk elf geeft de auteur zijn beschouwingen over het slagen of mislukken van een therapie. De boodschap is duidelijk: alle theoretische modellen hebben maar een beperkte toepasbaarheid. Wat cliënten weten, denken, voelen en willen, is belangrijker dan de academische stokpaardjes van de therapeut.

In het laatste hoofdstuk vindt men een aantal protocollen welke men kan gebruiken bij deze therapievorm.

Dit is een boek dat wetenschappelijk sterk onderbouwd is en tegelijk een grote praktische waarde heeft. Een aanrader voor iedereen die op een snelle manier met deze therapievorm wil kennismaken.

afdrukken

22:41 Gepost door Lieven Coppens in Pearson | Permalink | Tags: methodiek, therapiemodel | |

Ongeleide projectielen op koers

Auteur: Noks Nauta & Sieuwke Ronner
Titel: Ongeleide projectielen op koers. Werken en leven met hoogbegaafdheid.
Uitgeverij: Pearson Assessment and Information BV
Plaats: Amsterdam
Jaar: 2007
Pagina's: 142
ISBN-13: 978-90-265-1799-0
Prijs: € 16,51

ongeleide projectielen op koers - werken en leven met hoogbegaafdheidLeven en werken met hoogbegaafdheid is lang niet zo eenvoudig als het lijkt. Noch voor de hoogbegaafde persoon, noch voor zijn omgeving. Meer nog, bij amper een derde van de hoogbegaafde personen worden de talenten herkend en gewaardeerd, zo lezen we in de inleiding van dit boek. Terwijl hoogbegaafdheid geen ziekte of afwijking is, hebben hoogbegaafde personen vaak toch speciale werkvoorwaarden nodig om optimaal te kunnen functioneren.

In dit boek geven de auteurs elf voorbeelden van hoogbegaafde volwassenen die hun weg hebben moeten zoeken nadat ze uit koers waren geraakt. Elk voorbeeld wordt op dezelfde manier uitgewerkt:

  • Een analyse van de situatie:
  • o Wat is het feitelijke gedrag?
  • o Wat zijn de reacties van de omgeving?
  • o Wat zijn de cognitieve feiten?
  • o Welke emoties spelen er?
  • o Wat zijn de drijfveren van de hoogbegaafde?
  • o Wanneer en hoe kunnen professionals ingeschakeld worden om de situatie in beweging te krijgen?
  • Een nabeschouwing op de situatie:
  • o Wat is de visie van de auteurs op de casus?
  • o Praktische tips die kunnen helpen.

Na deze elf voorbeelden brengen de auteurs in een synthesehoofdstuk hun persoonlijk antwoord op de volgende vragen:

  • Hoe raken hoogbegaafden uit balans?
  • Waarom lijken veel hoogbegaafden in die situatie op ongeleide projectielen?
  • Hoe raakt een dergelijk ongeleid projectiel weer op koers?

In een afzonderlijk hoofdstuk wordt er achtergrondinformatie gegeven bij onderwerpen die in de voorgaande hoofdstukken aan bod kwamen. Het laatste hoofdstuk behandelt de vraag of men al dan niet professionele begeleiding moet inschakelen en waar men daarvoor terecht kan.

Dit boekje gaat een stuk voorbij aan de doelgroep van mijn besprekingen. Daar ben ik me van bewust. Ik nam het toch op omdat het mijns inziens de noodzaak van een vroegtijdige onderkenning van hoogbegaafdheid enerzijds en de psycho-educatie in verband ermee anderzijds scherp aantoont. Ook omdat het bewijst dat het zorgcontinuüm in het onderwijs hoogbegaafde kinderen moet blijven zien als kinderen met speciale noden. Wie daaraan twijfelt, moet dit boekje zeker grondig doornemen.

afdrukken

17:46 Gepost door Lieven Coppens in Pearson | Permalink | Tags: intelligentie, zorg, zorgbeleid, cognitieve ontwikkeling, hoogbegaafd | |

2009.07.17

Tussendoelen beginnende geletterdheid

Auteur: Ludo Verhoeven & Cor Aarnoutse (red.)
Titel: Tussendoelen beginnende geletterdheid. Een leerlijn voor groep 1 tot en met 3.
Uitgeverij: Expertisecentrum Nederlands
Plaats: Nijmegen
Jaar: 2006 (achtste druk)
Pagina's: 104
ISBN-13: 978-90-77529-04-1
Prijs: Boek: € 18,- Cd-rom: € 22,-

tussendoelen beginnende geletterdheid - een leerlijn voor groep 1 tot en met 3Het Vlaamse kleuteronderwijs heeft welgeteld vier ontwikkelingsdoelen voor het domein Nederlands, 'Lezen'. Het zijn de volgende:

De kleuters ...

  • kunnen aan de hand van visueel materiaal een boodschap herscheppen;
  • kunnen door symbolen voorgestelde boodschappen in verband met concrete activiteiten begrijpen;
  • kunnen op materialen, in boeken, op uitgangsborden lettertekens onderscheiden van andere tekens;
  • zijn bereid spontaan en zelfstandig voor hen bestemde boeken en andere informatiebronnen in te kijken;

Deze worden in de leerplannen Nederlands van de onderscheiden Vlaamse onderwijsnetten eerder sum-mier overgenomen en verduidelijkt.

Een meer dan interessante aanvulling daarop zijn de Tussendoelen beginnende geletterdheid uit Nederland. Deze tussendoelen zijn bedoeld voor de groepen 1 tot en met 3 (de Vlaamse 2e en 3e kleuterklas en het eerste leerjaar).

Na een kort voorwoord wordt in het eerste hoofdstuk duidelijk gemaakt wat het doel is van dit boek, wat tussendoelen en een leerlijn zijn, welke gebruiksmogelijkheden deze leerlijn heeft en op welke uitgangspunten ze berust. Met andere woorden: het eerste hoofdstuk bevat het kader waartegen alle andere hoofdstukken van dit boek moeten geplaatst worden. Het geeft ook een eenduidige uitleg aan de gebruikte begrippen.

Het tweede hoofdstuk beschrijft de fase van de ontluikende geletterdheid. Deze situeert zich in Nederland in de voorschoolse periode, in Vlaanderen rond het einde van de eerste kleuterklas. De auteurs benadrukken hier het belang van de ervaringen die kinderen in deze periode opdoen in verband met het latere leren lezen en schrijven. Stimulering door de ouders, de aanwezigheid van boeken en van schrijfmaterialen zijn hierin zeer belangrijk. Maar de auteurs zien het ook ruimer, binnen de gehele taalontwikkeling: ook de mondelinge taalvaardigheid is zeer belangrijk. In dit hoofdstuk breken de schrijvers nadrukkelijk een lans voor het voorlezen.

Het derde en meest uitgebreide hoofdstuk bespreekt de tien Tussendoelen beginnende geletterdheid. Deze worden uitvoerig besproken en geïllustreerd met praktijkvoorbeelden. Hierdoor is alles voor de lezer zeer snel duidelijk. Elk tussendoel krijgt een eigen 'leerlijn' mee. Aan het eind van de bespreking van elk tussendoel wordt deze leerlijn in een kadertje samengevat. De tien tussendoelen zijn:

  • boekoriëntatie;
  • verhaalbegrip;
  • functies van geschreven taal;
  • relatie tussen gesproken en geschreven taal;
  • taalbewustzijn;
  • alfabetisch principe;
  • functioneel 'schrijven' en 'lezen';
  • technisch lezen en schrijven, start;
  • technisch lezen en schrijven, vervolg;
  • begrijpend lezen en schrijven.

In het vierde en laatste hoofdstuk wordt er bekeken op welke manier men de ontwikkeling van de beginnende geletterdheid kan stimuleren. De auteurs staan stil bij het scheppen van een geletterde leeromgeving en de mogelijke organisatievormen. Verder leggen ze ook het verband tussen de beginnende geletterdheid en de zorgverbreding en staan ze expliciet stil bij leerlingen met een vertraagde taalontwikkeling en bij de beginnende geletterdheid bij meertalige kinderen.

werken aan tussendoelen beginnende geletterdheidBij deze uitgave hoort ook een Cd-rom die een echte meerwaarde biedt. Deze bevat extra informatie over de tussendoelen en illustratieve filmpjes bij elke fase van de 'leerlijnen' van de verschillende tussendoelen. Hierdoor komt de inhoud tot leven. Een afzonderlijke verklarende begrippenlijst zorgt er voor dat er geen verkeerde interpretatie kan zijn van de inhoud van de tussendoelen. Voor scholen die aan de slag willen gaan zijn er een aantal instrumenten op de Cd-rom die hen moeten helpen om het taal-, lees- en schrijfonderwijs een nieuwe vorm te geven.

Een sterk inspirerend werk.

afdrukken