2013.02.23

Boys & girls - Basisonderwijs

Auteur: Michael Gurian, Kathy Stevens & Kelley King
Titel: Boys & Girls
Strategieën voor onderwijs aan jongens & meisjes in het basisonderwijs
Uitgeverij: Onderwijs maak je samen
Plaats: Helmond
Jaar: 2008
Pagina's: 270
ISBN-13: 978-90-814613-6-8
Prijs: € 39,95

Boys & girls - Strategieën voor onderwijs aan jongens & meisjes in het basisonderwijsMen weet al langer dan vandaag dat het brein van meisjes op een andere en schijnbaar snellere manier ontwikkelt dan het brein van de jongens. Zo spreekt men van een ontwikkelingsverschil van om en bij twee jaar. Concreet betekent dit dat ze er bepaalde andere vaardigheden en attitudes op nahouden. Goed onderwijs houdt met deze verschillen rekening. Wat daarom nog niet hoeft te betekenen dat we terug moeten naar de situatie van vroeger waar er jongens- en meisjesscholen waren. Het is eerder de bedoeling om de unieke sterke punten van jongens en meisjes bewust aan te speken.

Michael Gurian, Amerikaans sociaal filosoof en gezinstherapeut, heeft de verdienste om de bevindingen van de neurobiologie en het hersenonderzoek onder andere naar het onderwijs te hebben vertaald. Evidence based dus. De strategieën die in dit boek aangereikt worden, zijn het resultaat van deze vertaalslag. Leerkrachten, scholen en schoolbesturen die aan onderwijsvernieuwing denken, lezen dus maar beter eerst dit boek. Omdat jongens en meisjes nu eenmaal soms net iets anders nodig hebben.

In het eerste hoofdstuk van dit boek gaan de auteurs dieper in op de verschillen in de hersenontwikkeling tussen jongens en meisjes en welke gevolgen deze hebben voor het leren. Deze verschillen zijn zowel te vinden in het structurele, het verwerken van taal, het verwerken van ruimtelijke en zintuiglijke informatie als in de chemie van de hersenen. Er is zelfs verschil in de voorkeur voor een bepaalde hersenhelft.

Het tweede hoofdstuk is een pleidooi voor meer beweging in het onderwijs. Omdat de hersenen van kinderen beter zouden functioneren als ze meer zouden mogen bewegen. Dit is geen losse opmerking: de auteurs staven deze bewering opnieuw vanuit de bevindingen van het hersenonderzoek. Naast het weerleggen van enkele vooroordelen tegen bewegend leren, vind je in dit hoofdstuk voor de verschillende vakgebieden enkele praktische en bruikbare strategieën.

Toon meer en praat minder. Zo zou je de essentie van het derde hoofdstuk kunnen weergeven. Vooral jongens, die minder op taal gericht zijn dan meisjes, komt dit enorm ten goede. Daarenboven zijn veel leerlingen sterk op het visueel-ruimtelijk vlak terwijl deze sterkte niet of nauwelijks in de klas aangesproken wordt. Meer nog: de leerlingen kunnen deze sterkte ook aanwenden om beter te worden in verbale taken zoals lezen en schrijven. In dit hoofdstuk leer je ook dat onderzoek heeft aangetoond dat er een positieve correlatie bestaat tussen de prestaties van de leerlingen en het gebruik van niet-taalkundige middelen, zoals grafische voorstellingen, symbolen, afbeeldingen en visualisaties. Dat je bij dit alles de kinderen inspraak moet geven en keuzes moet laten maken, wordt uitgelegd in het volgende hoofdstuk. Vooral het lezen en schrijven komt dit ten goede. Op die manier kunnen ze immers keuzes maken die meer aansluiten bij de ontwikkeling van hun hersenen en dus vanzelf ook rekening houden met de verschillen in ontwikkeling tussen jongens en meisjes.

Laat jongens en meisjes samen leren en geef ze meer mogelijkheden voor sociale interactie. Dit is het centrale thema van het vijfde hoofdstuk. Deze sociale interactie stimuleert immers hersenactiviteit die het leerproces bevordert. Leerlingen die geleerd hebben om hun emoties de baas te kunnen, maken ook meer kans op succes. Door een positieve sociale interactie voelen zij zich sociaal en emotioneel veilig, waardoor ze meer kunnen leren en onthouden. Tegelijk zorgen dergelijke activiteiten ook voor meer bewegingskansen (zie hoofdstuk 2).

Ook op het niveau van het basisonderwijs moeten leerlingen ervaringen dat het leren er echt toe doet. Het onderwijs moet dus doelgericht en betekenisvol zijn. Niet in het minst voor jongens, die uit zichzelf al veel meer moeite hebben dan meisjes om de relevantie van iets te ervaren. En ook dat, je raadt het, is voor een stuk neurobiologisch bepaald. Heel wat praktische voorbeelden zetten de lezer hier zeker op de juiste weg.

In het zevende hoofdstuk krijgen kunst en muziek hun plaats in het basisonderwijs. Omdat dit hoofdstuk maar moeilijk laat samenvatten, lees je het maar beter integraal in het boek. Dit kan ik alvast vrijgeven: muziek en de verschillende kunstvakken hebben, mits juist aangewend, een positieve correlatie met het leren en verankeren van de schoolse kennis.

De leerkracht moet aansluiten vinden bij zijn leerlingen. Positieve relaties tussen leerkrachten en kinderen stimuleren het leerproces. Een persoonlijke band met leerlingen werkt. Aldus de boodschap achter het achtste hoofdstuk. Op zich een hartverwarmend hoofdstuk. Het negende hoofdstuk sluit hier nauw bij aan: karaktervormend onderwijs is basis voor leren en leven. In dit soort onderwijs krijgen eigenschappen zoals respect, verantwoordelijkheid, integriteit, zich inspannen hun terechte plaats. Omdat karaktervorming altijd een combinatie is van weten (de waarden) en handelen (het omzetten van deze waarden in geloofwaardige daden). Speciale aandacht gaat hierbij naar een zeer actueel thema, het pesten.

In het tiende en laatste hoofdstuk houden de auteurs een pleidooi voor een goede verstandhouding en een positieve samenwerking tussen leerkracht en ouders. Omdat ouderlijke betrokkenheid nu eenmaal een van de beste voorspellers is voor succes van het kind op school.

Door de rijkdom van dit boek doet deze bespreking het onvermijdelijk onrecht aan. De voortdurende verwijzingen naar de gegevens uit het hersenonderzoek, het voortdurend maken van de vertaalslag van de inhoudelijke punten naar het omgaan met de verschillen tussen jongens en meisjes en de realistische en bij momenten relativerende aanpak van de thema’s maken dit boek tot een noodzakelijk onderdeel van de schoolbibliotheek.

afdrukken

14:41 Gepost door Lieven Coppens in Onderwijs maak je samen | Permalink | Tags: basisonderwijs, genderverschillen, leren, methodiek, neurobiologie, neuropsychologie, onderwijsstrategie | |

Boys & girls: Voortgezet onderwijs

Auteur: Michael Gurian, Kathy Stevens & Kelley King
Titel: Boys & Girls
Strategieën voor onderwijs aan jongens & meisjes in het voortgezet onderwijs
Uitgeverij: Onderwijs maak je samen
Plaats: Helmond
Jaar: 2008
Pagina's: 256
ISBN-13: 978-90-817484-1-4
Prijs: € 39,95

Boys & girls - Strategieën voor onderwijs aan jongens & meisjes in het voortgezet onderwijsMen weet al langer dan vandaag dat het brein van meisjes op een andere en schijnbaar snellere manier ontwikkelt dan het brein van de jongens. Zo spreekt men van een ontwikkelingsverschil van om en bij twee jaar. Concreet betekent dit dat ze er bepaalde andere vaardigheden en attitudes op nahouden. Goed onderwijs houdt met deze verschillen rekening. Wat daarom nog niet hoeft te betekenen dat we terug moeten naar de situatie van vroeger waar er jongens- en meisjesscholen waren. Maar ook niet dat jongens en meisjes altijd samen les moeten krijgen. Het is eerder de bedoeling om de unieke sterke punten van jongens en meisjes bewust aan te speken.

Michael Gurian, Amerikaans sociaal filosoof en gezinstherapeut, heeft de verdienste om de bevindingen van de neurobiologie en het hersenonderzoek onder andere naar het onderwijs te hebben vertaald. Evidence based dus. De strategieën die in dit boek aangereikt worden, zijn het resultaat van deze vertaalslag. Leerkrachten, scholen en schoolbesturen die aan onderwijsvernieuwing denken, lezen dus maar beter eerst dit boek. Omdat jongens en meisjes nu eenmaal soms net iets anders nodig hebben.

In het eerste hoofdstuk van dit boek gaan de auteurs dieper in op de verschillen in de hersenontwikkeling tussen jongens en meisjes en welke gevolgen deze hebben voor het leren. Deze verschillen zijn zowel te vinden in het structurele, het verwerken van taal, het verwerken van ruimtelijke en zintuiglijke informatie als in de chemie van de hersenen. Er is zelfs verschil in de voorkeur voor een bepaalde hersenhelft.

Het tweede hoofdstuk is een pleidooi voor meer beweging in het onderwijs. Omdat de hersenen van jongeren dan beter functioneren. Dit is geen losse opmerking: de auteurs staven deze bewering opnieuw vanuit de bevindingen van het hersenonderzoek. Naast het weerleggen van enkele vooroordelen tegen bewegend leren, vind je in dit hoofdstuk voor de verschillende vakgebieden enkele praktische en bruikbare strategieën.

In het derde hoofdstuk komt het gebruik in de klas van visuele en ruimtelijke strategieën aanbod. Centraal staat hier het concept van een Playbook, een concept dat de auteurs onvertaald laten omdat er geen passend Nederlands woord voor bestaat. Een Playbook helpt de leerling om zich te richten op zijn sterke en zwakke punten. Het helpt de leerkracht omdat deze strategieën kan gebruiken om meer en beter in te spelen op de sterke punten van die leerling. Het visueel-ruimtelijk leren is zowel voor jongens als meisjes een krachtig instrument om hun sterke punten te leren kennen en ook te leren voorbij deze punten. Het zal de lezer niet ontgaan dat de auteurs van de integratie van technologie in het onderwijs zowel voor jongens als voor meisjes veel heil verwachten.

Vorm leerteams met jongens en meisjes zodat ze van elkaar kunnen leren. Sociale interactie is zeer belangrijk. Dat is het centrale thema van het vierde hoofdstuk. Dat de auteurs onmiddellijk relativeren door aan te tonen dat het soms beter is om in sekse specifieke groepen te onderwijzen. Om meerdere redenen. Dat je bij dit alles de jongeren de leiding moet laten nemen en hen keuzes moet laten maken, wordt uitgelegd in het vijfde hoofdstuk. Op die manier kunnen ze immers keuzes maken die meer aansluiten bij de ontwikkeling van hun hersenen en dus vanzelf ook rekening houden met de verschillen in ontwikkeling tussen jongens en meisjes. Meer nog, ook de ontwikkeling van hun hersenen wordt er beter van.

Het zesde hoofdstuk staat in het teken van het zinvol, echte, betekenisvolle leren. Nog anders gezegd: het leren moet verband houden met, relevant zijn voor de realiteit, voor hun realiteit. Die emotionele connectie is noodzakelijk omdat het brein dan op een actievere wijze leert. Deze connectie met de realiteit kan er immers voor zorgen dat men zich ook wil inzetten voor die inhouden die men als nutteloos beschouwt. Maar ook hier speelt het verschil tussen jongens en meisjes weer een rol: het mannelijke brein moet je op een andere manier motiveren dan het vrouwelijke. Heel wat praktische strategieën wijzen hier de lezer de weg.

Lezen om te leren: hier staan de auteurs uitgebreid bij stil in het zevende hoofdstuk. In het lezen en het schrijven spelen opnieuw heel wat verschillen tussen jongens en meisjes een rol. Er is dus een kloof in de geletterdheid. Die kan voor een deel overbrugd worden door de lijsten met verplichte literatuur meer jongensvriendelijk te maken. Heel relevant vond ik hierbij het stukje dat leesplezier herdefinieert vanuit de gendervoorkeuren met betrekking tot lezen. Om een tipje van de sluier op te lichten: stripverhalen en grafische romans krijgen hier ook een plaats! Verder kunnen aangepaste verwerkingsvormen voor jongens en meisjes een wereld van verschil maken.

Zelf kiezen? Ja. Maar vergeet asjeblieft het belang van een mentor niet. Dat is de stelling die de auteurs verdedigen in het voorlaatste hoofdstuk van dit boek. Een mentor zal opnieuw rekening moeten houden met de verschillende verwachtingen van jongens en meisjes. De strategieën in dit hoofdstuk zijn daarbij zeker een hulp.

In het laatste hoofdstuk bespreken de auteurs nog een viertal thema’s: huiswerk, het belang van rust, het belang van de voeding en de stress van het adolescent zijn. Een aantal praktische ideeën leren de leerkracht hoe hij hier kan mee omgaan.

Door de rijkdom van dit boek doet deze bespreking het onvermijdelijk onrecht aan. De voortdurende verwijzingen naar de gegevens uit het hersenonderzoek, het voortdurend maken van de vertaalslag van de inhoudelijke punten naar het omgaan met de verschillen tussen jongens en meisjes en de realistische en bij momenten relativerende aanpak van de thema’s maken dit boek tot een noodzakelijk onderdeel van de schoolbibliotheek.

afdrukken

14:27 Gepost door Lieven Coppens in Onderwijs maak je samen | Permalink | Tags: genderverschillen, leren, methodiek, neurobiologie, neuropsychologie, onderwijsstrategie, secundair onderwijs | |

2013.02.15

Opzoekboekje Engels

Auteur: Ruurdje van Laar
Titel: Opzoekboekje Engels
Uitgeverij: Braams&Partners
Plaats: Deventer
Jaar: 2013
Pagina's: 70 fiches
ISBN-13: -
Prijs:  € 15,00

opzoekboekje engelsHet wordt alleen maar beter. De opzoekboekjes van Tom Braams & Partners hebben er een broertje (of is het een zusje?) bij: het opzoekboekje Engels. Dit opzoekboekje bestaat uit een zeventigtal fiches waarop de basisleerstof Engels uit het voortgezet onderwijs op de inmiddels niet na te volgen geen-onzinmanier van de andere opzoek-boekjes wordt tot leven gebracht. Ik gebruik bewust de term ‘tot leven gebracht’. De auteur, Ruurdje van Laar, heeft immers fiches geschreven die elk aangebracht onderdeel zo duidelijk uitleggen en aan de hand van talloze voorbeelden illustreren dat het echte Engels – dus niet het goedkope popliedjes-Engels – met alle subtiele nuances bijna gemakkelijk lijkt. Je begrijpt het goed: het opzoekboekje Engels is geen verzameling van louter spellingregels. Het is veel meer dan dat. De fiches zijn verdeeld over drie categorieën, elk met hun eigen kleurcode:

  • Werkwoorden (blauw):
    • De verschillende tijden;
    • De meest voorkomende werkwoorden;
    • Het genuanceerd gebruik van de werkwoorden;
  • Woorden (rood):
    • Voornaamwoorden:
    • Meervoudsvormen;
    • Genitief;
    • Het genuanceerd gebruik van woorden en uitdrukkingen;
    • Spelling;
    • Telwoorden;
    • Tijdsbegrippen;
    • Trappen van vergelijking;
    • Het gebruik van bijvoeglijke naamwoorden en/of bijwoorden;
  • Zinnen (groen):
    • Zinsvolgorde;
    • Zinnen vragend maken;
    • Zinnen ontkennend maken;
    • Typische zinsvormen.

Dit opzoekboekje is niet alleen geschikt voor kinderen met dyslexie. Iedereen die het Engels wil beheersen, zal al snel de universele bruikbaarheid van deze fiches erkennen. Je kunt het gebruiken als ondersteuning bij het leren van deze taal, maar even goed als een zeer snel hanteerbaar naslagwerk om op te zoeken hoe een en ander ook weer in elkaar zit. Een naslagwerk met een oerdegelijk ‘Hollands’ karakter. En dat laatste is alleen maar op te vatten als een meer dan gemeend ‘Vlaams’ compliment. Om ‘goesting’ van te krijgen!

naslagwerk met karakter afdrukken

23:31 Gepost door Lieven Coppens in Braams&Partners | Permalink | Tags: compenseren, dispenseren, dyslexie, engels, formularium, leerprobleem, remedieren, secundair onderwijs, stimuleren, taal, vreemde taal | |

2013.02.10

Sociaal gedrag elke dag!

Auteur: Marte van der Horst & Valeria Hopmans
Titel: Sociaal gedrag elke dag!
Sociaal-emotioneel leren voor de onder-, midden- en bovenbouw
Uitgeverij: Pica
Plaats: Huizen
Jaar: 2013
Pagina's: 362
ISBN-13: 978-90-77671-85-6
Prijs: € 60,00

sociaal gedrag elke dag - sociaal-emotioneel leren voor de onder-, midden- en bovenbouwSociaal gedrag elke dag is geen therapeutisch programma maar een sterke en coherente vakoverschrijdende leerlijn sociale vaardigheden voor de basisschool. Het is zowel preventief (kinderen essentiële vaardigheden aanleren) als proactief (anticiperen op problemen die er bijna onvermijdelijk aan komen). Tegelijkertijd zorgt het voor maximale ontwikkelingskansen voor alle leerlingen, waardoor je het meer dan terecht kunt opnemen in het kansenbevorde-rende instrumentarium van de school. Het draagt immers enorm bij tot het creëren van een krachtige en veilige omgeving waarin kinderen zichzelf durven ontplooien.

De vaardigheden die in deze leerlijn aan bod komen zijn georganiseerd rondom de volgende programmaonderdelen:

  • Leren omgaan met emoties;
  • Leren samenspelen;
  • Leren samenwerken;
  • Leren probleem oplossen.

Elk programmaonderdeel bestaat uit verschillende aan te brengen vaardigheden. Het leren omgaan met emoties komt in alle groepen aan bod. Omdat deze vaardigheden voortdurend aangesproken (kunnen) worden in de overige programmaonderdelen, is dit een logische keuze van de auteurs. De andere programmaonderdelen komen dan in de volgende chronologie aan bod: leren samenspelen » leren samenwerken » leren probleem oplossen.

  Groepen 1, 2, 3 & 4
(2e & 3e kleuterklas, 1e & 2e leerjaar)
Groepen 5, 6, 7 & 8
(3e, 4e, 5e & 6e leerjaar)
Leren
omgaan met emoties
Gevoelens herkennen en benoemen
Prettige gevoelens herkennen
Onprettige gevoelens herkennen
Luisteren naar de ander
De G-reeks herkennen (Gedrag – Gevolg)
De verschillende fasen van boosheid herkennen
Rustig blijven
Gevoelens herkennen en benoemen
Prettige gevoelens herkennen
Onprettige gevoelens herkennen
Luisteren naar de ander
De G-reeks herkennen (Gedrag – Gevolg)
De verschillende fasen van boosheid herkennen
Rustig blijven
Leren
samenspelen
Een complimentje geven en aardig zijn
Luisteren naar de ander
Zeggen dat je iets niet wilt
Hulp vragen en de ander helpen
Iemand uitnodigen
Met een idee komen
Vragen of je mee mag doen
Om de beurt gaan en wachten op de ander
Overleggen en het met elkaar eens worden
Je aan de regels houden
 
Leren
samenwerken

 

Met een idee komen
Luisteren naar de ander
Hulp vragen en de ander helpen
Overleggen en het met elkaar eens worden
Rustig blijven bij conflicten
Taken verdelen
Afspraken maken en nakomen
Leren
probleem oplossen

 

Het probleem duidelijk krijgen
Verplaatsen in de ander
Verschillende oplossingen bedenken
Gevolgen bij de oplossingen bedenken
Een goede oplossing kiezen en toepassen
De oplossing evalueren

De lessen hebben steeds dezelfde structuur:

  • Introductie;
  • Gesprek (met daarbij een duidelijk geformuleerd doel);
  • Groepsactiviteit;
  • Opdracht;
  • Oefenen in de praktijk;
  • Evaluatie;
  • Extra oefenen.

Bij het oefenen in de praktijk geven de auteurs telkens extra tips voor de leerkracht en concrete voorbeelden die aan de hand van heldere tabellen uitgewerkt worden. Voor de leerlingen en de leerkracht is er ook nog een A-viertje voorzien waarop de aangebrachte vaardigheid met pictogrammen (Vlaamse Sclera-pictogrammen!) ondersteund wordt. De benodigde materialen vind je ofwel in de bijlagen bij de verschillende programmaonderdelen, ofwel op de bij het programma horende website.

Uitgeverij Pica mag er trots op zijn dit professionele programma in haar fonds te voeren.

naslagwerk met karakter afdrukken

20:52 Gepost door Lieven Coppens in Pica | Permalink | Tags: emotionele ontwikkeling, methodiek, ontwikkeling, sociale cognitie, sociale ontwikkeling, sociale vaardigheden | |

2013.02.02

Gl&SCHR

Auteur: Peter Depessemier & Caroline Andries
Titel: Gl&SCHR
Test voor gevorderd lezen & schrijven
Uitgeverij: Garant
Plaats: Antwerpen|Apeldoorn
Jaar: 2009
Pagina's: 160
ISBN-13: 978-90-441-2388-3
Prijs: € 150

gletschr - test voor gevorderd lezen & schrijvenDe publicatie van de Gl&SCHR zorgt er sinds 2009 voor dat er genormeerd Nederlandstalig materiaal is om dyslexie bij jongeren ouder dan zestien jaar te diagnosticeren. De meerwaarde van deze Gl&SCHR ligt niet alleen in het ter beschikking stellen van dit testmateriaal: het theoretisch model dat aan de basis van deze testprocedure ligt, is nog veel belangrijker. Dit model voor gevorderd lezen en schrijven maakt het immers mogelijk om de signalen van dyslexie bij jongeren ouder dan zestien jaar te objectiveren. Voordien werd de diagnose van dyslexie bij deze groep meestal gesteld op basis van de subjectieve ervaring van de therapeut die bestaande signalen en theorieën extrapoleerde. Dit professionele nattevingerwerk behoort nu gelukkig tot het verleden.

In het eerste hoofdstuk van dit boek wordt de theorie achter de Gl&SCHR uit de doeken gedaan. Centraal staat hier het model van gevorderd lezen en schrijven dat uit vier essentiële met elkaar interagerende deelvaardigheden bestaat:

  • herkennen;
  • snelheid;
  • begrijpen;
  • geheugen.

Op basis van dit model geven de auteurs daarna het begrip dyslexie een plaats. Dit is geen overbodige luxe omdat je de aannames over dyslexie zoals die in het basisonderwijs gelden nu eenmaal niet zonder meer voor jongeren uit deze leeftijdsgroep kunt overnemen.

In het besluit van dit hoofdstuk pleiten de auteurs dan ook terecht voor een gelaagde diagnostiek van hoofd- en bijtests. Die gelaagdheid vind je dan vanzelfsprekend ook terug in de Gl&SCHR.

In het tweede hoofdstuk van het boek wordt de constructie van de Gl&SCHR beschreven. Naast het testoverzicht vind je er de psychometrische kenmerken van deze testbatterij gedetailleerd terug:

  • normering;
  • betrouwbaarheid;
  • validiteit.

De handleiding bij de afname maakt het onderwerp uit van het derde hoofdstuk. Hierbij wil ik er op wijzen dat er extra aandacht is besteed aan de standaardisatie. Zo werkt men bijvoorbeeld met een aantal geluidsbestanden en presentaties die garant staan voor een juiste afname van de desbetreffende onderdelen. In het vierde hoofdstuk lees je waar je op het Internet deze bestanden vindt en hoe je de andere onderdelen op de website, zoals het scoreformulier, moet gebruiken. In het vijfde en laatste hoofdstuk beschrijven de auteurs hoe je de resultaten op de Gl&SCHR kunt interpreteren.

naslagwerk met karakter afdrukken

13:36 Gepost door Lieven Coppens in Garant | Permalink | Tags: diagnostiek, dyslexie, leesprobleem, lezen, psycho-educatie, spelling, spellingprobleem, taal | |