2007.12.01

Wat vraag ik aan mijn kind?

Auteur: Albert Janssens
Titel: Wat vraag ik aan mijn kind? 7 denkstappen om een probleem op te lossen. Een werkboek voor ouders, leerkrachten en therapeuten
Uitgeverij: Acco
Plaats: Leuven/Voorburg
Jaar: 2007
Pagina's: 116
ISBN-13: 978-90-334-6616-8
Prijs: € 17,50

wat vraag ik aan mijn kind De ontwikkeling van kinderen wordt door volwassenen in kaart gebracht. Dit cartografisch onderzoek resulteert in een atlas van het gemiddelde kind.  Opvoeders, of het nu ouders, leerkrachten of therapeuten zijn, stemmen nog te vaak hun verwachtingen af op het beeld dat zij hebben van dat gemiddelde kind. Opvoedingsproblemen worden dan ook als erger ervaren naarmate een kind verder van het gemiddelde afwijkt. Want het gemiddelde kind bestaat niet. Elk kind ontwikkelt op zijn hoogst eigen, individuele manier. Naarmate de opvoeder dit beter kan inschatten en begrijpen zal hij het kind gemakkelijker de juiste uitdagingen en leerervaringen kunnen bieden. Dit geldt voor alle ontwikkelingsdomeinen.

In dit boek gaat Albert Janssen dieper in op de cognitieve ontwikkeling van het kind. Hij baseert zich hierbij op het werk van Raven Feuerstein en gaat op zoek naar het antwoord op drie vragen:

  1. Welke cognitieve functies ontwikkelt het kind?
  2. Hoe kan ik deze cognitieve functies ontdekken?
  3. Wat kan ik doen als cognitieve functies zich onvoldoende ontwikkelen?

De auteur formuleert het antwoord op deze vragen op een consistentie en creatieve manier. Hij belicht de cognitieve functies op een zeer toegankelijke manier door ze onder te brengen in de zeven denkstappen die men nodig heeft om tot de oplossing van een probleem te komen. Centraal hierbij staat telkens het lerend handelen. De 7 denkstappen zijn:

  1. Een probleem onderkennen.
  2. De probleemsituatie onderzoeken in al haar kenmerken.
  3. Het probleem en het doel bepalen.
  4. Een plan uitwerken om het doel te bereiken.
  5. De verzamelde gegevens verwerken en bewerken.
  6. De oplossing weergeven.
  7. Reflecteren over het leerproces.

Kinderen kunnen dit echter maar aanleren binnen een veilige omgeving. De opvoeder kan deze creëren door een kwaliteitsvolle interactiestijl die men mediëren noemt. De kwaliteitscriteria die hierbij horen zijn:

  1. Intentionaliteit
  2. Zingeving
  3. Uitbreiding
  4. Gevoelens van bekwaamheid
  5. Gedragsregulering
  6. Doelgerichtheid
  7. Zelfontplooiing
  8. Deelgenootschap
  9. Openheid voor uitdaging
  10. Bewustzijn van veranderbaarheid

Het boek bestaat uit zeven hoofdstukken die elk een denkstap en de daarbij horende cognitieve functies uitdiepen. Het eerste hoofdstuk gaat over de probleemgevoeligheid van een kind. Hier komen cognitieve functies als de nauwkeurige waarneming, het beheersen van de impulsiviteit en het voorstellingsvermogen aan bod. Elke functie wordt concreet beschreven en geïllustreerd met voorbeelden. De opvoeder krijgt een aantal reflectievragen mee die hij zich kan stellen om een kind beter te kunnen helpen. Tips moeten hem bij de concrete uitwerking ondersteunen. Deze opbouw vind je trouwens ook terug in de andere hoofdstukken.

Het tweede hoofdstuk gaat over het grondig onderzoeken van de probleemsituatie in al haar facetten. Hierbij komen cognitieve functies als waarneming, oriëntatie in tijd en ruimte, het benoemen van de elementen waaruit een probleem bestaat en het vasthouden van de gegevens aan bod. In het derde hoofdstuk worden het probleem en het doel bepaald. Hiervoor moet men het belangrijke van het onbelangrijke kunnen onderscheiden en zich kunnen herinneren of men iets soortgelijks al eerder meemaakte. Naast deze cognitieve functies moet men ook nog over voldoende woorden en begrippen beschikken om het probleem te kunnen definiëren. Deze definitie is immers noodzakelijk voor het afbakenen van het doel. Het vierde hoofdstuk gaat over het uitwerken van een plan om het gedefinieerde doel te bereiken. Vaardigheden die hierbij een rol spelen zijn het kunnen werken volgens een model en het kunnen verinnerlijken van een probleem.

Het vijfde hoofdstuk gaat dieper in op de onderliggende denkprocessen. Naast het be- en verwerken van de verzamelde gegevens moet het kind ook anticiperen op de effecten en resultaten van de oplossing. Bij dit anticiperen is het belangrijk dat het kind kan rekening houden met eerder opgedane ervaringen en deze kan veralgemenen, maar ook dat ze de beste strategie kunnen kiezen. Eens zover kan er nog veel fout lopen bij het weegeven van de oplossing. Dit behandelt de auteur in het zesde hoofdstuk. Om een oplossing juist te kunnen formuleren moet men deze kunnen verwoorden vanuit verschillende standpunten en ze goed kunnen beargumenteren. Daarbij moet men zien hoe die oplossing bij de andere aankomt en deze eventueel anders formuleren zodat ze beter begrepen wordt. Dit houdt in dat er gericht voor een oplossing gekozen wordt, niet dat ze gevonden is door gissen en missen. Ook verbaal moet de oplossing goed overgebracht worden. Dit houdt niet alleen in dat het kind over de juiste woorden beschikt, maar ook dat hij het antwoord nauwkeurig en precies kan formuleren. De auteur behandelt tot slot van dit hoofdstuk ook nog twee problemen die kunnen optreden: het blokkeren bij het zoeken naar een oplossing of het impulsief kiezen van een oplossing.

In het laatste hoofdstuk wordt de zevende denkstap toegelicht: het nadenken over het leerproces. Door te reflecteren vergroot men immers de kans dat men in de toekomst nog iets aan het geleerde zal hebben. Dit is kwaliteitsvol leren waarbij men de resultaten ook wil borgen voor de toekomst.

Dit boek is in een aangename taal geschreven en laat zich lezen als een trein. De vele concrete voorbeelden doorheen het boek zorgen er voor dat de lezer onmiddellijk mee is met de bedoeling van de auteur. De vele tips en vragen die de opvoeder zich vooraf kan stellen om het kind te helpen maken het boek tot een echt werkboek voor iedereen die zich als mediator wil richten tot kinderen. De auteur geeft het boek een grote meerwaarde door aan het eind van elk hoofdstuk in de rubriek Verhaal over het ontstaan van dit boek te beschrijven hoe de behandelde denkstap een plaats had in het schrijven van het boek zelf. Samen met de 21 oefeningen laat dit de lezer toe om alles nog eens door te maken op eigen niveau.

Bij elke denkstap plaatste de auteur een denkballonnetje dat verwijst naar de bijbehorende mediacriteria voor een goede interactiestijl. Wie hierover nog meer wil lezen kan terecht in het boek Ontwikkeling stimuleren van dezelfde auteur:

JANSSENS A., Ontwikkeling stimuleren. Werkboek voor ouders en opvoeders, Acco, Leuven/Amersfoort, 1999,106 blz., ISBN 978-90-334-4139-4.

Intussen werkt de auteur aan een derde boek, Werken aan mijn mediatiestijl. Dit wordt een echt trainingsboek aan de hand waarvan men zal kunnen leren mediëren.

afdrukken

22:14 Gepost door Lieven Coppens in Acco | Permalink | Tags: cognitie, denken, feuerstein, mediatie, ontwikkeling | |

Vorige 1 2 3 4 5 6