2008.10.25

Praten met kinderen en jongeren in crisissituaties

Auteur: Nicolas J. Long, Mary M. Wood & Frank A. Fecser
Titel: Praten met kinderen en jongeren in crisissituaties
Uitgeverij: LannooCampus
Plaats: Leuven
Jaar: 2003
Pagina's: 288
ISBN-13: 978-90-209-5945-1
Prijs: € 36,50

praten met kinderen en jongeren in crisissituatiesDit boek geeft een introductie tot de methodiek van de Life Space Crisis Intervention (LSCI). Dit is een verbale interventiemethodiek voor jongeren en kinderen die gedragsproblemen vertonen omdat ze in een crisis zitten. Deze crisis ontstaat wanneer een kind of jongere door een stressvol incident in conflict komt met leeftijdsgenoten, opvoeders of leerkrachten en gaat vaak gepaard met heftige emoties. Het begrip conflict moet hier begrepen worden als het moment waarop de noden van het kind of de jongere tegengesteld is aan het aanbod uit zijn omgeving. Via een interventie in een zestal stappen probeert men in deze crisis tussen te komen om enerzijds het gedrag van het kind of de jongere te veranderen, maar anderzijds ook om zijn zelfwaardegevoel te verhogen, de eigen angst te verminderen en het inzicht in het eigen gedrag en dat van anderen te verhogen.

In het eerste deel van dit boek beschrijven de auteurs de conflictcyclus. Deze moet je eerst herkennen alvorens je hem kunt aanpakken en doorbreken. De conflictcyclus heeft een viertal hoofdkenmerken:

  1. Een gebeurtenis is stresserend voor een jongere. Deze gebeurtenis wordt beïnvloed door het zelfbeeld van de jongeren en zijn irrationele opvattingen maar beïnvloedt deze op zijn beurt.
  2. Deze stressvolle gebeurtenis lokt bij de jongere bepaalde emoties uit, niet in het minst angst.
  3. Deze emotionele reacties zorgen bij de jongere voor defensief gedrag.
  4. Het gedrag van de jongere heeft zijn invloed op het gedrag van volwassenen en leeftijdsgenoten.

Wanneer de conflictsituatie niet bij de eerste keer doorbroken wordt, dan wordt het een escalerende spiraal, wordt de crisis enkel maar groter. Men kan de crisis ontladen door op elk van de vier hoofdkenmerken in te werken:

  1. Men kan de stress aanpakken.
  2. Men kan de gevoelens van de jongere aanpakken.
  3. Men kan het gedrag van de jongere aanpakken.
  4. Men kan het gedrag van de volwassenen en zijn leeftijdsgenoten aanpassen.

Het tweede deel gaat dieper in op de drie diagnostische fasen en de drie fasen die in zich nieuwe kansen bieden voor de jongere.  Deze zien er als volgt uit:

  1. diagnostische fasen:
    1. de emoties ontladen
    2. de tijdlijn van het conflict reconstrueren aan de hand van vragen zoals wat, waar, met wie...
    3. vaststellen van de doelen op korte en lange termijn
  2. fasen van de nieuwe kansen:
    1. komen tot inzicht
    2. verkennen en aanleren van nieuwe vaardigheden
    3. het geleerde toepassen binnen de dagdagelijkse groep (transfer)

Elk van deze 6 fasen heeft zijn eigen doel en vraagt van de hulpverlener zeer specifieke vaardigheden. Dit wordt allemaal in het boek duidelijk uitgelegd en uitvoerig geïllustreerd met casuïstiek. Ook worden de signalen dat er kan overgegaan worden naar een volgende fase expliciet gemaakt. Voortdurend is men ook alert voor mogelijke valkuilen die het proces kunnen hinderen of doen mislukken. Ook deze worden uitdrukkelijk vernoemd.

Het derde deel illustreert hoe de methodiek gebruikt kan worden bij zes vormen van zelfdestructief gedrag, zoals daar is:

  1. het herorganiseren van de eigen waarneming door de jongere van de realiteit
  2. het bepalen van de stressbron
  3. het op een zachte manier confronteren met onaanvaardbaar gedrag
  4. het opbouwen van bepaalde waarden om de zelfbeheersing te vergroten
  5. het aanleren van nieuwe sociale vaardigheden
  6. het leren vaststellen van eigen grenzen

Bij elk van deze interventies omschrijft men duidelijk de rol van de volwassene en het soort jongeren dat baat heeft bij een dergelijke interventie. Dit alles wordt telkens verduidelijkt met een voorbeeld.

Een zevende interventie verdient het om afzonderlijk vermeld te worden. Deze is helemaal gewijd aan de rol van de volwassene bij het voortduren van het conflict en de manier waarop Life Space Crisis Intervention (LCSI) ook voor hen kan aangewend worden.

Een boek kan nooit een opleiding of training vervangen. Ook met dit boek is dit zo. Dat neemt niet weg dat het een zeer uitgebreide en praktische inleiding is die tegelijkertijd ook een waardevolle handleiding kan zijn voor wie start met een training in deze methodiek. Ook los van een typische behandelsessie is dit een verrijkend boek. Het leert hulpverleners op een andere manier kijken naar gedragsproblemen bij kinderen en jongeren en de aanpak ervan. Het toont hen nog maar eens dat ze zich moeten blijven hoeden voor bepaalde valkuilen die er voor zorgen dat bepaalde conflictsituaties blijven voortduren.

afdrukken

18:46 Gepost door Lieven Coppens in LannooCampus | Permalink | Email dit | Tags: gedrag, conflict, crisis, interventie | |

Het angstige kind

Auteur: Jean Dumas
Titel: Het angstige kind. Angstverschijnselen bij kinderen en jongeren begrijpen en aanpakken.
Uitgeverij: LannooCampus
Plaats: Leuven
Jaar: 2007
Pagina's: 184
ISBN-13: 978-90-209-6548-3
Prijs: € 19,95

het angstige kind. angstverschijnselen bij kinderen en jongeren begrijpen en aanpakkenIeder kind is wel eens angstig. Dat is normaal en behoort tot zijn of haar psychische ontwikkeling. Anders is het als het langdurige, hevige angsten heeft die niet in verhouding staan tot de situatie. Zo wordt Kasper bijvoorbeeld hysterisch als hij een vlieg ziet. Of is bijvoorbeeld de 12-jarige Lies nog nooit uit logeren geweest omdat ze geen moment van haar ouders wil gescheiden zijn. Of maakt Freya zich voortdurend zorgen over alles wat er in haar omgeving gebeurt, zonder dat daar een reden toe is. Nog anders gezegd: er is altijd wel iets wat hen verhindert om van het leven te genieten of om zich verder te ontplooien.

Jean Dumas schreef dit boek voor ouders, leerkrachten en alle andere hulpverleners en volwassenen die in aanraking komen met deze angstige kinderen en hen willen begrijpen en helpen. Hij bouwde hier zijn hele boek rond: het eerste deel staat in het teken van het begrijpen van angststoornissen bij kinderen, het tweede deel in het teken van de hulp die kan geboden worden.

Het eerste deel bestaat uit drie hoofdstukken die uiteindelijk leiden tot bij wat ik de kern van het hele boek zou noemen, namelijk het besluit van Jean Dumas dat

... het ervaren van de angst voor de angst in het centrum staat van de moeilijkheden die het angstige kind ondervindt... (blz.63)

Het eerste hoofdstuk bespreekt het fenomeen van de angststoornissen bij kinderen zeer uitgebreid. Het beschrijft zeven specifieke angststoornissen bij kinderen, te weten:

  • de scheidingsangst
  • de fobie
  • de sociale angst eigen aan de kindertijd
  • de dwangstoornisde paniekaanval
  • de posttraumatische stressstoornis
  • de gegeneraliseerde angststoornis

Elk van deze stoornissen wordt in duidelijke taal uitgelegd en verduidelijkt aan de hand van een heel concreet en levensecht voorbeeld. Aan het einde van dit hoofdstuk schetst een zeer interessante tabel op welke leeftijd deze verschillende angsten zich manifesteren, hoe vaak ze voorkomen en hoe ze verdeeld zijn over jongens en meisjes.

Het tweede hoofdstuk gaat op zoek naar de oorsprong van de angst, om al heel snel aan te geven dat het niet zozeer gaat over oorzaken dan over risicofactoren. Deze risicofactoren worden daarna één voor één aangehaald en toegelicht.

Het derde hoofdstuk schetst eerst de normale ontwikkeling en evolutie van de angst om daarna dieper in te gaan op de ontwikkeling van de angststoornissen en hun mogelijke complicaties. Het eindigt met de vaststelling die hierboven al geciteerd werd

Het tweede deel staat helemaal in het teken van het helpen van kinderen met angststoornissen. Het begint met de toelichting van het diagnostisch onderzoek van een kind waarbij een angststoornis vermoed wordt. Dit is allesbehalve een theoretisch model. De lezer krijgt de volledige procedure (met de bijbehorende materialen) aangeboden. In de hoofdstukken vijf en zes wordt de kern van de aanpak uitgebreid beschreven. Het vijfde hoofdstuk reikt een ontspanningstechniek aan die kinderen moet helpen om de fysieke gevolgen van hun angst te over-winnen (Bewust ademen). De oefeningen die de auteur hiervoor gebruikt worden extensief en als hapklare brokken aangeboden. Het zesde hoofdstuk pakt dan de emotionele en cognitieve kant van de angststoornis aan (Afstand nemen). Net zoals in het vorige hoofdstuk worden ook hier alle oefeningen kant-en-klaar aangeboden. Het zevende hoofdstuk beschrijft hoe één en ander effectiever en efficiënter kan gebeuren door het in te bedden in een heus handelingsplan.

Het achtste hoofdstuk gaat kort in op medicamenteuze en andere vormen van behandeling die de psychologische aanpak kunnen aanvullen en ondersteunen. Het negende hoofdstuk spreekt die ouders aan die zelf angstig zijn (geweest), en nu hun angstige kind willen helpen.

Het boek biedt nog een leuk extraatje dat een echte meerwaarde betekent voor iedere lezer: elk hoofdstuk wordt afgesloten door een rubriek Hoofdpunten en aanbevelingen die niet alleen de inhoud kort samenvat maar ook de praktische adviezen voor ouders en andere helpende volwassenen helder op een rijtje zet.

Gezien het feit dat er nog veel wetenschappelijk onderzoek moet gebeuren naar angststoornissen bij kinderen, zou het overdreven zijn om dit boek nu al een standaardwerk te noemen. Toch willen we het iedereen sterk aanraden omwille van de volgende redenen:

  • Het boek geeft de huidige kennis over het fenomeen van de angststoornissen bij kinderen op een zeer goede manier weer. Dit gebeurt in een zeer begrijpelijke taal, waardoor het zich bijna als een roman laat lezen. Je zit alles het ware op consultatie bij de auteur.
  • De auteur reikt een concrete aanpak bij angststoornissen aan, zonder zich ook maar iets aan te matigen: hij presenteert zijn voorstel als iets dat kan werken, maar niet almachtig is. Hij reikt alvast een strategie aan die voor iedereen zeer herkenbaar is en door iedereen kan gebruikt worden.

Zeker lezen dus!

afdrukken

16:04 Gepost door Lieven Coppens in LannooCampus | Permalink | Email dit | Tags: angst, angststoornis, ouders, zorg, fobie, sociale angst, dwangstoornis, paniekstoornis, posttraumatische stressstoornis, scheidingsangst | |

2008.08.15

Cognitieve problemen bij kinderen en adolescenten

Auteur: Maurice Berger
Titel: Cognitieve problemen bij kinderen en adolescenten. Samenspel van kennis en gevoel.
Uitgeverij: LannooCampus
Plaats: Leuven
Jaar: 2008
Pagina's: 232
ISBN-13: 978-90-209-6549-0
Prijs: € 29,95

cognitieve problemen bij kinderen en adolescentenDe cognitieve ontwikkeling van kinderen is onlosmakelijk verbonden met het beeld dat kinderen van zichzelf en de wereld hebben. Dit beeld wordt onbewust opgebouwd aan de hand van hun lichamelijke gewaarwordingen. Dit vat Maurice Berger samen in zijn centrale hypothese dat de mens in grote mate van zijn lichaam leert. Deze hypothese wordt op de achterflap van het boek geïllustreerd met het volgende voorbeeld:

De 13-jarige Maria denkt dat een stuk boetseerklei zwaarder weegt wanneer het in stukken wordt getrokken dan wanneer het de vorm heeft van een vlakke kei. Maria heeft tijdens de eerste jaren van haar leven honger geleden, tot haar ouders overleden toen ze vier was. Nadien bleek ze bezeten van het idee om elk gerecht met haar zus te delen. Voor Maria is er dus meer voedsel als het wordt gedeeld, omdat verschillende mensen dan hun honger kunnen stillen. Therapiewerk toont aan dat dit een mogelijke hypothese is voor haar leerprobleem.

Maurice Berger, psychoanalyticus, heeft rond deze relatie tussen kennis en gevoel en de blijvende invloed van ernstige hechtingsproblemen zijn therapie opgebouwd. Hij is hoogleraar aan de universiteit van Lyon II en dienst-hoofd van de psychiatrische afdeling voor kinderen en adolescenten aan het Universitair Medisch Centrum van Sint-Etienne.

In dit boek gaat Berger dieper in op het thema van de leerstoornissen. In de inleiding schetst hij het kader waar-binnen dit boek moet begrepen worden. De mens leert in grote mate met zijn lichaam en heeft fysieke percepties nodig om te leren. Als kind ziet de mens zich voortdurend geplaatst voor cognitieve raadsels die hij moet oplossen in relatie tot de buitenwereld. Wanneer deze raadsels niet opgelost worden, laten ze hun sporen na in het verdere leven, onder andere op het vlak van het leren.

Op basis van zijn theorie komt Maurice Berger tot de volgende indeling van soorten leermoeilijkheden:

  • leerstoornissen door moeilijkheden in de zelfvoorstelling, die de overhand krijgen wanneer het lichaam van het kind op een zwakke of chaotische manier door zijn omgeving werd verzorgd. Hiermee overlappend is ook de problematiek van de zelfonderschatting en zelfoverschatting.
  • leerstoornissen door een moeilijke toe-eigening, die zich voordoen als het lichaam van het kind te sterk benaderd of geforceerd werd.

Tot slot geeft hij in de inleiding een woordje uitleg bij de mogelijke therapeutische behandeling van deze proble-men. Twee algemene principes zijn hier zeer belangrijk. Het eerste is dat men de vastgestelde moeilijkheden goed moet begrijpen en de gevolgen ervan moet aanvaarden, het andere dat de behandeling vaak veel ingewikkelder is dan men zou willen. Hierop aansluitend heeft Berger het ook over een aantal mythen bij de aanpak van cognitieve moeilijkheden:

  • mythe 1: je moet elk kind autonoom maken. Dat is niet zo: bepaalde kinderen hebben nu eenmaal een lager niveau om de wereld in te schatten dan hun leeftijdsgenoten.
  • mythe 2: je kunt kinderen niet van buitenaf veranderen door hen in normale activiteiten te integreren of hen dingen te laten doen in de hoop dat die hun zelfbeeld zullen veranderen.
  • mythe 3: pedagogische aandacht valt niet onder opvoedkundig werk. Verkeerde redenering: sommige kinderen hebben deze pedagogische aandacht net nodig om te kunnen leren.

 Dit alles vertaalt hij naar een psychoanalytisch behandelingsmodel.

Het eerste deel van het boek gaat dieper in de op de leerstoornissen die veroorzaakt worden door moeilijkheden in de zelfvoorstelling. Aan de hand van uitgebreide gevalsstudies wordt er verduidelijking gegeven over deze soort van problemen. In het tweede deel doet de auteur hetzelfde voor de leerstoornissen die veroorzaakt worden door een moeilijke toe-eigening.

Het derde deel staat in het teken van het remediëren en de pedagogie.  Het remediëren op zich is succesvol omdat het een globale of analytische aanpak biedt voor een cognitief probleem en omdat het een relationeel karakter heeft. Daar zijn echter twee risico's aan verbonden. Een eerste is het niet komen tot transfer, juist omwille van dat relationele karakter waardoor de resultaten verbonden zijn met de persoon die remedieert. Een ander risico is de mogelijkheid dat er problemen boven komen die buiten het domein van het remediëren vallen en psychische (psychiatrische) hulp vragen. Op het vlak van de pedagogie worden er dan soms weer eisen gesteld die binnen een gewone klas niet haalbaar zijn.

Het vierde deel handelt over neurologische ontwikkelingsstoornissen bij het leren en psychotische disharmonieën. In dit deel wordt het psychoanalytisch werk bij de behandeling van leerproblemen uitgebreid en aan de hand van concrete gevalsstudies toegelicht.

Dit boek werpt een boeiende kijk op leer- en ontwikkelingsproblemen. Het voegt op zijn minst een aantal ver-klarende en indicerende hypothesen toe aan het denken over deze problemen. Het toont eens te meer aan dat de psychoanalyse een bepaalde woordenschat, een bepaalde visie heeft die toelaat dingen te vatten en bespreekbaar te maken die anders niet of te weinig onder woorden gebracht (kunnen) worden. Door de talrijke voorbeelden en uitgebreide gevalsstudies is het boek toegankelijk voor iedere lezer, hoewel voorkennis van de psychoanalytische begrippen en concepten zeker een pluspunt is.

afdrukken

2008.06.14

Opvoeden in de klas

Auteur: Herman Van den Broeck
Titel: Opvoeden in de klas. Wegwijzer voor leerkrachten.
Uitgeverij: LannooCampus
Plaats: Leuven
Jaar: 2006
Pagina's: 240
ISBN-13: 978-90-209-6544-5
Prijs: € 19,95

opvoeden in de klas. wegwijzer voor leerkrachtenOok al is het al meer dan 10 jaar op de markt, Opvoeden in de klas. Wegwijzer voor leerkrachten blijft een brandend actueel boek. Niet in het minst omdat ouders hun opvoedingstaak in stijgende mate blijven delen met de school. Ook omdat de auteur zijn boek blijft bijstellen in het licht van de nieuwe wetenschappelijke bevindingen op dat vlak.

In het eerste hoofdstuk gaat de auteur dieper in op het leerkracht zijn als beroep. Hij duidt op een heldere manier dat een leerkracht iemand is die op lange termijn werkt. Niet alleen op het cognitieve vlak, maar ook op het vlak van de sociale en emotionele ontwikkeling. Dat daarbij zijn werkmateriaal, de leerlingen, van jaar tot jaar verandert, hoeft geen betoog. Leerlingen zijn immers altijd de kinderen van hun tijd. En dat deze tijden tegenwoordig heel snel veranderen, is voor iedereen duidelijk. Dat sommige kinderen met deze tijden moeilijkheden hebben, is vanzelfsprekend. Voor hen kan de leerkracht dan ook een ankerpunt en beschermende persoon zijn. En in deze functie wordt hij soms vogelvrij verklaard...

Het tweede hoofdstuk gaat dieper in op de communicatieprincipes als basis voor de interactie in de klas. Hierbij gaat de auteur uit van het principe dat alle gedrag communicatie is. Hij benadert dit vanuit vier invalshoeken:

  • de inhoud van de boodschap
  • de relatie tussen zender en ontvanger
  • de perceptie van de boodschap
  • de nood aan waarderen en gewaardeerd te worden

Het derde hoofdstuk sluit dicht aan bij het vorige en gaat over communicatietechnieken. Het uitgangspunt hierbij is dat een communicatietechniek slechts goed is als de bedoeling ervan ook overkomt bij de ontvanger. Deze communicatie heeft altijd vier kanten:

  • Wat ik denk en voel (de binnenkant).
  • Wat ik daarmee doe (de buitenkant).
  • Hoe dat overkomt bij de andere (de overkant).
  • Wat we daar samen mee doen (de synergiekant).

De auteur reikt tal van mogelijke technieken aan en geeft daarbij een zeer belangrijke tip: Probeer ze niet allemaal tegelijkertijd!!!

Het vierde hoofdstuk gaat dieper in op een bijzondere vorm van communicatie: feedback. Feedback is een noodzakelijke voorwaarde om te kunnen leren. Hoe je die als leerkracht kunt (moet geven) wordt hier uitvoerig toegelicht.

Het volgende hoofdstuk gaat over negatief gedrag in de klas en hoe je daar als leerkracht op een assertieve en constructieve manier kunt mee omgaan. Wat is streng? Wanneer is iets een probleem? Dit zijn enkele van de vragen die aan bod komen. Soms moet er toch gestraft worden. Hoe je dat kunt doen, lees je in het zesde hoofdstuk. Hoe dat je het wel? Wat doe je beter niet? Welke varianten zijn er? De auteur blijft hier zeer concreet bij stil staan.

Het zevende hoofdstuk is helemaal gewijd aan pesten op school. Het fenomeen van het pesten wordt eerst toegelicht. Daarna is er aandacht voor de mogelijke interventies.

In het achtste en negende hoofdstuk gaat de auteur dieper in op de variëteit die er aanwezig is in de klas. Variëteit in interacties maar ook variëteit in denkstijlen. Deze variëteit past de auteur niet alleen toe op de leerlingen, maar ook op de leerkrachten.

Elke leerling wordt dagelijks geconfronteerd met de emoties van zijn leerlingen. Hoe je daar op een positieve manier kunt mee omgaan is de kern van het laatste hoofdstuk. Aan de hand van twee "sleutels" maakt de auteur duidelijk wat het verschil is tussen een positieve en een negatieve manier om met emoties om te gaan.

Dit boek slaagt er in op een eerder beknopte manier het thema van opvoeden in de klas vrij volledig te benaderen. Dat de auteur daarbij voortdurend aandacht heeft voor concrete voorbeelden, resultaten uit wetenschappelijk onderzoek en concrete denkopdrachten voor de lezer maakt het tot een zeer waardevol naslagwerk voor leerkrachten uit zowel het basis- als het secundair onderwijs.

afdrukken

14:17 Gepost door Lieven Coppens in LannooCampus | Permalink | Email dit | Tags: straffen, opvoeding, communicatie, belonen, feedback, diversiteit, pesten, gedrag, klasgedrag | |

2008.04.12

Dit doe je kinderen niet aan

Auteur: Johan Snoeck
Titel: Dit doe je kinderen niet aan. Het begeleiden van kinderen op bezoek bij een stervende
Uitgeverij: LannooCampus
Plaats: Leuven
Jaar: 2004
Pagina's: 112
ISBN-13: 978-90-209-5667-1
Prijs: € 14,95

dit doe je kinderen niet aanIk heb even getwijfeld of ik dit boek aan bod zou laten komen op deze weblog. Ik doe het dan toch omdat de inhoud ervan - kinderen laten afscheid nemen van een stervende - toch relevant is voor leerkrachten, zorgcoördinatoren en directie die vroeg of laat geconfronteerd zullen worden met een dergelijke situatie. In een aantal gevallen zullen de ouders hen op de man af vragen of ze hun kind met een stervende mogen confronteren. Het antwoord van de auteur, Johan Snoeck is hierop klaar en duidelijk ja. Maar dan moet er wel gezorgd worden voor een deskundige begeleiding.

De auteur bevestigt hiermee wat er voor hem al door anderen gezegd werd: door kinderen van een stervende weg te houden, ontneem je hen de kans om afscheid te nemen van iemand van wie ze houden. Volwassenen gaan er te vaak van uit dat het voor een kind niet goed is om daarmee geconfronteerd te worden, juist terwijl de kinderen op hun manier er zeer intens mee bezig zijn.

In zijn eerste hoofdstuk gaat de auteur dieper in op de vragen waarom jongere kinderen (tot 12 jaar) soms vergeten worden als het om het afscheid nemen van een stervende gaat. Ouders willen hun kind beschermen vanuit de eigen onmacht ten op zichte van hun verdriet. Deze beschermende reactie is zonder meer positief, maar de auteur wil in zijn boek aantonen dat het voor een kind (én zijn ouders) beter is als het dat afscheid mag onder ogen zien.

In het tweede hoofdstuk verduidelijkt de auteur eerst een aantal begrippen die hij in zijn boek gebruikt om dan in hoofdstuk 3 in te gaan op een aantal basisinzichten die iemand moet hebben als hij op weg wil gaan met een kind dat geconfronteerd wordt met een stervende. Deze inzichten zijn onder andere:

  • een correct inzicht in de ziekte en de prognose ervan
  • kennis van de gezinssituatie
  • weten hoe kinderen op verschillende leeftijden omgaan met sterven en dood
  • weten hoe men als volwassene kan omgaan met de uitingsvormen van verdriet bij een kind, zoals daar zijn huilen, schuldgevoel, kwaadheid en angst
  • inzien waarom afscheid nemen van een stervende ook voor een kind belangrijk is
  • weten hoe men met de waarheid van het sterven moet omgaan
  • de factoren kennen die het afscheid nemen kunnen bemoeilijken
  • weten hoe men een bezoek aan een stervende moet voorbereiden
  • weten hoe men een kind na het bezoek moet opvangen
  • weten wat je beter niet zegt
  • wat doen als een kind uit een andere cultuur komt

Het vierde hoofdstuk is helemaal gewijd aan een stappenplan om de begeleiding van een kind dat op bezoek gaat bij een stervende te volbrengen. Dit wordt in het volgende hoofdstuk onmiddellijk toegelicht met een aantal concrete gevalsbesprekingen.

Na een kort maar relevant besluit volgen er nog een aantal bijlagen. Zeer interessant hierbij is de uitgebreide en geannoteerde bibliografie van kinderboeken die handelen over het afscheid nemen van iemand die sterft of gestorven is.

afdrukken

15:35 Gepost door Lieven Coppens in LannooCampus | Permalink | Email dit | Tags: afscheid, rouw, dood, sterven, begeleiding, stappenplan | |