2008.08.09

Kleuters met extra zorg

Auteur: Marc Boone
Titel: Kleuters met extra zorg. Een werkboek vol handelingsplannen
Uitgeverij: Plantyn
Plaats: Mechelen
Jaar: 2006
Pagina's: 165
ISBN-13: 978-90-301-8195-8
Prijs: € 39,50

kleuters met extra zorgZoals de ondertitel van het boek aangeeft, krijgt men met dit boek een verzameling handelingsplannen aangereikt waarmee men aan de slag kan. De auteur, inspecteur Marc Boone, schreef dit boek vanuit zijn ervaring dat kleuterleidsters er vaak alleen voor staan nadat hun kleuters werden getest of geobserveerd en besproken. De handelingsplannen uit dit boek zijn geordend volgens deze probleemgebieden:

  • wiskundige initiatieleesinitiatie
  • grove en fijne motoriek
  • taal- en spraakontwikkeling
  • cognitieve ontwikkeling
  • sociaal-emotionele ontwikkeling
  • spel- en werkhouding 

De structuur van het boek is voor elk probleemgebied gelijk: na een voorstel van diagnostische observatie komen de handelingsplannen. De diagnostische observatie gaat uit van concrete vaardigheden die kleuters moeten beheersen op een bepaalde leeftijd. Deze vaardigheden zijn verdeeld over drie leeftijden: 3, 4 en 5 jaar. De kleuterleidster duidt bij het begin van het schooljaar (of bij de instap van de kleuter) de beginsituatie aan en kruist daarna aan wanneer de kleuter het gewenste niveau heeft bereikt (1e, 2e of 3e trimester). Elke vaardigheid uit de diagnostische observatie is gekoppeld aan een remediëringsvoorstel uit het boek. De kleuterleidster kan dus meteen aan de slag.

De diagnostische observaties bij elk probleemgebied zijn op verschillende manieren interessant. Enerzijds kunnen ze gebruikt worden om de individuele ontwikkeling van de kinderen gedurende de ganse kleuterschool te volgen waarbij een te asynchrone ontwikkeling zeker zal opvallen. Anderzijds kunnen deze diagnostische observaties ook gebruikt worden om de ernst van een eventuele ontwikkelingsachterstand beter in te schatten en om te bepalen of het probleem nog door de interne zorg kan aangepakt worden of niet. In dat laatste geval zal ze dan ook de verwijzing naar een externe hulpverlener ondersteunen. De observatiebladen zijn een onmisbaar onderdeel van het leerlingendossier dat opgestart wordt voor de driejarigen en verder ingevuld wordt door de kleuterleidsters van de hogere klasjes.

De handelingsplannen op zich spitsen zich telkens toe op bepaalde deelaspecten van de probleemgebieden. Deze deelsaspecten komen overeen met de remediëringsvoorstellen waarnaar er in de diagnostische observatie verwezen wordt. Deze worden steeds toegelicht in een kort woordje vooraf. Hierin wordt het belang van het deelaspect aangetoond, het verband gelegd met andere ontwikkelingsaspecten, een bepaalde leerlijn verantwoord en dergelijke meer. Na dit woordje vooraf krijgt de kleuterleidster een lijst van concrete activiteiten die ze met de kleuters voor wie het nodig is kan doen. Deze activiteiten worden aangevuld met tips in verband met instructie, materiaalgebruik en dergelijke meer.

Dit boek is één van de basiswerken die in de bibliotheek van de kleuterschool moet aanwezig zijn.

afdrukken

Puzzel je slim

Auteur: Marc Boone
Titel: Puzzel je slim. Een praktijkboek voor een zorgbrede aanpak bij kleuters
Uitgeverij: Plantyn
Plaats: Mechelen
Jaar: 2005
Pagina's: 84
ISBN-13: 978-90-301-8592-5
Prijs:  17,50

puzzel je slimHet puzzelen neemt een belangrijke plaats in tijdens de kleuterleeftijd. Dit is het uitgangspunt van dit boek. Tegelijk is er nog geen boek verschenen dat alle kennis rond puzzelsoorten en puzzeldidactiek verenigd. Marc Boone wil in dit praktijkboek de puzzels en het puzzelen in een brede context benaderen. Centraal hierbij staat de directe bruikbaarheid in de praktijk en het toevoegen van een meerwaarde aan de zorgbrede aanpak van kleuters en leerlingen uit het buitengewoon basisonderwijs. In het kort komt de inhoud van het boek hierop neer:

  • het aanreiken van een gevarieerd puzzelaanbod
  • het aanreiken van een geleidelijke aanpak in het leren oplossen van puzzels
  • het geven van suggesties in verband met observatie en evaluatie
  • het geven van suggesties in verband met de differentiatie en het remediëren
  • de horizontale en verticale samenhang bij het puzzelen

Dit alles en nog meer wordt beschreven in het eerste hoofdstuk van het boek. In het tweede hoofdstuk gaat de auteur dieper in op wat puzzelen nu eigenlijk is en welke puzzelvarianten je kunt onderscheiden. Daarbij legt hij duidelijk het raakvlak bloot tussen het puzzelen enerzijds en het associatie- en constructiespel anderzijds. Het derde hoofdstuk gaat kort over de doelen die men bij het puzzelen kan vooropstellen (leergebiedoverstijgend en specifiek). Het vierde hoofdstuk gaat dieper in op de organisatie van een heuse puzzelhoek in de klas.

Het vijfde hoofdstuk gaat uitgebreider in op het leren puzzelen, de puzzelinitiatie: hoe breng je het puzzelen aan bij jongste kleuters, bij in hun ontwikkeling bedreigde kleuters en bij kinderen uit het buitengewoon onderwijs. Hierbij staan de volgende punten centraal:

  • een puzzelopdracht begrijpen
  • de relatie zien tussen een deel en het geheel

Het zesde hoofdstuk gaat daar verder op in en gaat over de strategieën bij het puzzelen. Centraal staat de vraag hoe je bij probleemkinderen de lukrake pogingen kunt vervangen door doelgerichte acties. Onderdelen die aan bod komen zijn de voorbereiding, de systematiek en de zelfcontrole. Zoals zoveel dingen moet je puzzelen geleidelijk aanleren. Gradatie in moeilijkheidsgraad is nodig. Deze moeilijkheidsgraad wordt niet alleen bepaald door het aantal puzzelstukken, maar ook door andere aspecten. Dat lees je in het zevende deel.

De hoofdstukken 8 en 9 gaan over de puzzels in de kleuterschool: welke zijn er allemaal aanwezig en welke komen er in welke kleuterklas aan bod. Deze inventaris en de afspraken erbij zijn noodzakelijk om doorheen de kleuterschool een gradatie te kunnen waarborgen. Een onontbeerlijke afspraak is zeker de aanduiding van de moeilijkheidsgraad voor de kleuters: zij moeten zelf hun puzzelniveau kennen en kunnen ervaren.

Het tiende hoofdstuk geeft praktische informatie over het observeren en evalueren bij het puzzelen. Door een goede registratie behoud je als kleuterleidster het overzicht over welke kleuter welke puzzel op welke manier heeft gedaan en (zeker bij de oudste kleuters) hoe hij die zelf heeft ervaren. Het elfde hoofdstuk vult dit aan met suggesties in verband met de differentiatie en het remediëren. Het twaalfde hoofdstuk toont aan hoe kleuters zelf puzzels kunnen aanmaken en wat daar de waarde van is. Het dertiende hoofdstuk geeft een uitgebreide en geannoteerde puzzelinventaris.

afdrukken

18:13 Gepost door Lieven Coppens in Plantyn | Permalink | Tags: zorg, kleuters, kleuteronderwijs, didactiek, puzzels, puzzelen, ontwikkelingsbedreigd, buitengewoon onderwijs | |

2008.06.07

Portfolio als leermiddel

Auteur: Wil Meeus (red.)
Titel: Portfolio als leermiddel. Een inspiratieboek voor lesgevers
Uitgeverij: Plantyn
Plaats: Mechelen
Jaar: 2007
Pagina's: 138
ISBN-13: 978-90-301-9250-3
Prijs: € 25,-

portfolio als leermiddelHet portfolio deed enige tijd geleden zijn intrede in het onderwijs. Het kan op drie verschillende manieren aangewend worden: als verzamelmap (verzamelportfolio), als middel bij het beoordelen van de verworven opleidings- of beroepsspecifieke kennis, vaardigheden en/of attitudes (prestatieportfolio) of als middel om de leercompetenties te beoordelen (leerportfolio). De essentie blijft echter steeds hetzelfde: de student is en blijft zelf verantwoordelijk voor zijn leerproces en toont in het portfolio wat hij gepresteerd en geleerd heeft.

In dit boek vind je twaalf praktijkvoorbeelden van het werken met een portfolio:

  • secundair onderwijs:
    • binnen het Project Algemene vakken
    • binnen Maatschappelijke vorming
  • volwassenenonderwijs: 
    • in het tweedekansonderwijs (volwassenenonderwijs)
    • in het talenonderwijs (volwassenenonderwijs)
  • lerarenopleiding:
    • in de geïntegreerde lerarenopleidingen (lerarenopleiding)
    • in de lerarenopleiding kleuteronderwijs (lerarenopleiding)
  • hoger onderwijs:
    • in grafische en digitale media (hoger onderwijs)
    • in de logopedie (hoger onderwijs
    • in de podologie
    • in de verpleegkunde
    • in de academische specifieke lerarenopleiding
    • in de lichamelijke opvoeding

De verschillende auteurs geven telkens een woordje uitleg bij de opleiding en de school en omschrijven de doelgroep. Daarna situeren ze het gebruik van het portfolio binnen de opleiding om tot slot het werken met een portfolio te evalueren.

In het laatste hoofdstuk van dit boek komt de redacteur tot het besluit dat er een enorm grote verscheidenheid bestaat bij het werken met portfolio's. Dit is logisch, zegt hij, want...

... een portfolio is immers niets meer dan een dossier waaraan een didactische functie toegekend wordt. Vorm en inhoud van het dossier worden bepaald door de aard van die functie en de condities waarbinnen die functie waargemaakt kan worden (blz.124).

Verder brengt hij verslag uit over het onderzoek dat gevoerd werd met als bedoeling de verschillende portfolioprojecten uit het boek te evalueren.

Gelet op het voorgaande is dit geen boek geworden met pasklare en te kopiëren projecten. Wel is het een degelijke illustratie geworden van hoe men op de verschillende onderwijsniveaus het werken met een portfolio vorm kan geven. In die zin verdient het boek terecht zijn ondertitel als inspiratieboek voor lesgevers.

afdrukken

16:31 Gepost door Lieven Coppens in Plantyn | Permalink | Tags: volwassenenonderwijs, tweedekansonderwijs, talenonderwijs, portfolio, secundair onderwijs, hoger onderwijs | |

2008.04.05

Groei- en leerlijnen in de kleuterschool

Auteur: Marc Boone
Titel: Groei- en leerlijnen in de kleuterschool
Uitgeverij: Plantyn
Plaats: Mechelen
Jaar: 2008
Pagina's: 424
ISBN-13: 978-90-301-9262-6
Prijs: € 48,00

groei- en leerlijnen in de kleuterschoolVan bij de aankomst in het peuterklasje wordt er werk gemaakt van de groei en de ontwikkeling van de kinderen op de volgende domeinen, elk met hun deelaspecten:

  • de taalontwikkeling
  • de cognitieve ontwikkeling
  • de muzische vorming
  • de initiatie in het aanvankelijk lezen, schrijven en wiskunde
  • de ontwikkeling van het gevoelsleven
  • de lichamelijke opvoeding
  • de zelfredzaamheid

Een kind dat dit traject volledig en goed doorloopt is op het einde van de derde kleuterklas voldoende schoolrijp om over te gaan naar het eerste leerjaar. De auteur toont dit in zijn boek op de bladzijden 16 en 17 perfect aan met zijn schema over de Ontwikkelingsevolutie van de kleuter,  waar hij de evolutie in de taalontwikkeling, de verstandelijke ontwikkeling, de ontwikkeling van het gevoelsleven en de motorische ontwikkeling schetst in een continuüm dat begint bij de peuters en eindigt bij de kenmerken van schoolrijpheid. Hierbij gaat hij meer dan terecht uit van de effectieve kalenderleeftijd van de peuters en kleuters. Bij peuters en kleuters zijn de leeftijdsverschillen in maanden soms zeer groot als het over de verschillen in de ontwikkeling gaat. We krijgen dan ook deze indeling:

  • peuters
  • driejarige
  • vierjarige
  • vijfjarige
  • zesjarige
  • [kenmerken van schoolrijpheid]

Ik wil de waarschuwing van de auteur, die tegelijk ook de filosofie weergeeft van waaruit het boek geschreven is, wel letterlijk herhalen, omdat ze mijns inziens zeer belangrijk is:

We waarschuwen ervoor dat die groeilijnen geen aanleiding mogen zijn tot lesjes geven over... Voor het kind moet alles overkomen als boeiend, uitdagend, onbevangen: spelend leren dus, waarbij je oog hebt voor het welbevinden en een hoge mate van betrokkenheid van het kind. Je hanteert de groeilijnen als een richtsnoer. Het gaat om minimale afspraken die ruimte laten voor de eigen creativiteit en inventiviteit van de leerkracht, voor de inbreng van de kinderen en voor het aanpassen aan het ontwikkelingsniveau van de kleuters. Het geeft de leerkracht een goed en veilig gevoel en het is werkbesparend als hij in een oogopslag kan aflezen wat voor elk van de diverse leergebieden precies verwacht wordt voor elke kleuterleeftijd, wat al werd geïnitieerd en wat eventueel voor een volgende leeftijdscategorie bestemd is. De leer- en ontwikkelingslijnen zijn streefdoelen, noch min noch meer. We forceren niet, stellen geen strikte eisen en weren bovenal het competitieve karakter in de zin van: "Kijk eens Flor wat Aurélie al kan." Flor kan wel aangemoedigd worden om met Aurélie samen te spelen zodat ze van elkaar kunnen leren (blz.19-20).

De verdere meerwaarde van het boek ligt in het feit dat de ontwikkeling van de kinderen geschetst wordt tot op de leefijd van 6 jaar, voor de auteur de kenmerken van schoolrijpheid beschrijft. Dit is nog maar eens een bevestiging van het feit dat het ook de opdracht is van het eerste leerjaar om kinderen schoolrijp te maken. Nog anders gezegd: de kleuterschool moet geen afgewerkt product afleveren aan de lagere school! In die zin is het ook belangrijk dat dit boek zijn weg zou vinden naar de leerkrachten van het eerste leerjaar lager onderwijs.

De auteur begint zijn boek met zijn visie op kwaliteitsvol kleuteronderwijs om daarna in zijn stukje over ontwikkelen en leren in kleuterperspectief een aantal verduidelijkingen en een eerder theoretische aanzet tot het boek te geven. Deze twee hoofdstukken zijn verplichte literatuur voor iedere gebruiker. Daarna legt hij uit hoe dit bronnenboek - want dat is het uiteindelijk - moet gebruikt worden en hoe het concordeert met de officiële ontwikkelingsdoelen voor het kleuteronderwijs.

De volgende hoofdstukken gaan uitgebreid in op de verschillende ontwikkelingsdomeinen en hun deelaspecten. Elk hoofdstuk begint met een aantal didactische beschouwingen die het ook in een ruimer (theoretisch) kader situeren. Deze heldere en beknopte uiteenzetting moet zeker gelezen worden voor een nog beter begrip van het boek. Daarna wordt elk deelaspect praktisch uitgewerkt. Hierbij gaat de auteur zeer gestructureerd te werk. Voor elk deelaspect krijgen we:

  • (D) domeinafbakening: Waarover gaat het?
  • (O) ontwikkelingsdoelen: Welke ontwikkelingsdoelen komen aan bod?
  • (L) leerlijn: Hoe krijgt het deelaspect vorm doorheen de chronologie van de kleuterschool? Deze leerlijn wordt aangevuld met concrete tips voor de klaspraktijk.
  • (B) begrippenlijst: Het situeren van domeinspecifieke begrippen in een bepaalde kleuterklas. Deze rubriek is enkel aanwezig waar nodig.

Hierbij maakt de auteur overvloedig gebruik van illustraties die waar nodig de uitleg veel verhelderen en verlevendigen.

Na deze hoofdstukken gaat Marc Boone dieper in op een gestroomlijnde hoekenwerking doorheen de kleuterschool. In de didactische beschouwingen (D) komen onder andere de klas- en hoekeninrichting, het belang van structuur in de klas en van differentiatie en individualisatie aan bod. Opnieuw is er ruimte voor de ontwikkelingsdoelen (O) en wordt er een leerlijn (L) met tips voor de klaspraktijk uitgewerkt. Het daaropvolgende hoofdstuk over variatie en gradatie in thema's en activiteiten bespreekt de korte- en langetermijnplanning.

Tot slot van het boek gaat de auteur uitgebreid in op de continuïteit in de observatie. Na een korte didactische beschouwing (D) is er veel ruimte gemaakte voor concrete observatieformulieren, zowel voor de open als voor de gesloten observatie.

afdrukken

2008.03.16

GOKken op de toekomst

Auteur: Jos Cré (red.)
Titel: GOKken op de toekomst.Het GelijkeOnderwijsKansenbeleid in Vlaanderen.
Uitgeverij: Plantyn
Plaats: Mechelen
Jaar: 2006
Pagina's: 201
ISBN-13: 978-90-301-9045-5
Prijs: € 23,00

gokken op de toekomstIn Vlaanderen is er een hoge correlatie tussen de slaagkansen van een kind op school en de scholingsgraad van zijn ouders of de socio-economische status van zijn gezin. Met andere woorden: veel kinderen van kansarme, laaggeschoolde ouders vallen op school uit de boot. Dit geldt voor zowel de kansarme  kinderen van allochtone afkomst als voor de autochtone kansarme kinderen en jongeren. Het Vlaamse onderwijsbeleid is zich hier meer en meer mee gaan bezighouden. Aanvankelijk gebeurde dit via het onderwijsvoorrangsbeleid, maar sinds 2002 via het beleid voor Gelijke OnderwijsKansen (GOK-beleid). Het boek GOKken op de toekomst brengt dit GOK-beleid, en meer in het bijzonder het geïntegreerd ondersteuningsbeleid, beter in beeld.

Het eerste van de vier delen van het boek situeert het GOK-beleid. Steven Groenez gaat eerst dieper in op de omvang, oorzaken en gevolgen van de ongelijkheid op school aan de hand van de gegevens uit het Cijferboek sociale ongelijkheid in het Vlaamse onderwijs. Hij toont aan dat deze ongelijkheid al van in het kleuteronderwijs aanwezig is doordat kleuters van specifieke bevolkingsgroepen later starten in het kleuteronderwijs en een grotere kans hebben om een jaar langer in het kleuteronderwijs te blijven. In het basisonderwijs uit deze ongelijkheid zich dan vooral in de schoolse vertraging, terwijl in het secundair en hoger onderwijs deze ongelijkheid zich vertaalt naar de studiekeuze. Patrice Caremans vervolgt dit eerste deel met een beschrijving van het zorgbeleid van de Vlaamse overheid dat in 1991 startte met het onderwijsvoorrangsbeleid (OVB), in 1993 aangevuld werd met het Project zorgverbreding voor de basisscholen en in 2000 met het project Bijzondere noden voor secundaire scholen. Deze bijdrage wordt afgesloten met een uitgebreide beschrijving van het GOK-beleid.

In het tweede deel worden er twee visies in verband met GOK uiteengezet. Jos Cré en Luc Driesmans stellen in hun hoofdstuk eerst het probleem van de ongelijke kansen en sociale uitsluiting scherp. Aan de hand van cijfermateriaal tonen ze aan dat kinderen en jongeren uit sociaal zwakkere socio-economische milieus gemiddeld minder goed presteren op school en daardoor ook hun verdere toekomst negatief beladen. In deze groep bakenen ze drie categorieën af: kinderen van allochtone afkomst, kansarme kinderen en kinderen met stoornissen en problemen. Bij deze laatste groep maken ze een belangrijke bedenking. Bepaalde kinderen uit de midden- of hogere klassen krijgen ook bepaalde kansen niet, bijvoorbeeld in het geval van kinderen met drukbezette ouders. Hoewel zij ook recht hebben op ondersteuning, mag men ze niet bestempelen als kansarm. De auteurs gaan in dit deel verder in op de oorzaken van de kansarmoede, zowel binnen als buiten de school. Tot slot onderzoeken ze wat er kan gebeuren - en al gebeurt - om dit probleem op te lossen. Deze oplossingen liggen zowel in de onderwijsvernieuwing als in de ondersteuning van de kansarme gezinnen. Een korte evaluatie van het GOK-decreet sluit dit stuk af. Als aanvulling op Jos Cré en Luc Driesmans geven Gerda Bruneel en Erna Janssens hun visie op de manier waarop GOK kan bijdragen tot een schoolbeleid. Dit stuk is en kort en laat zich moeilijk samenvatten, maar moet zeker door iedereen gelezen worden.

Het derde deel bevat drie uitgebreide praktijkvoorbeelden. In een eerste voorbeeld toont Kris Van den Branden aan hoe men een taalbeleid kan aanwenden om tot gelijke onderwijskansen te komen. Vertrekkend vanuit een brede evaluatie van de beginsituatie waarbij men niet alleen rekening houdt met objectieve testresultaten maar ook met de subjectieve perceptie van alle betrokkenen, dus ook van de ouders en de kinderen, moet men in kaart brengen wat de sterke en zwakke punten zijn van de school op het vlak van een taalbeleid. Op basis hiervan is het dan belangrijk dat men een procesmatig taalbeleid opstelt, waarbij men uitgaat van prioriteiten en secundaire processen.  Ides Nicaise en Lieve Ruelens hebben het in hun bijdrage over de lokale overlegplatforms. Volgens hen zal het een zaak zijn om de verschillende partners te blijven motiveren door brede-schoolinitiatieven. Waarom? Omdat er een aantal valkuilen zijn die van het lokaal overlegplatform geen echt netwerk maken, terwijl een breed netwerk nochtans een krachtig instrument kan zijn. Tot slot van het derde deel geeft Herman Siebens een praktijkvoorbeeld vanuit het KTA van Kapellen. 

Het vierde en laatste deel gaat dieper in op verschillende aspecten van armoede. Jan Vanhee en Dirk Willems hebben het in hun bijdrage over het belang van het ondersteunen van kinderen, ouders en leerkrachten. Centraal daarbij staan de antwoorden op de vragen wat ouders voor hun kind en voor zichzelf verwachten en hoe de scholen daar een antwoord kunnen op geven. Die antwoorden hebben dan meteen ook te maken met de ondersteuning die leerlingen kunnen (moeten) krijgen. Brie De Veirman en Guido Totté hebben het in de laatste bijdrage tot dit blok over de relatie tussen armoede en onderwijs. Aan de hand van verschillende invalshoeken tonen ze aan waarom deze relatie niet altijd gemakkelijk verloopt.

Dit boek geeft een goed en volledig beeld van het GOK-beleid. De lezer maakt relatief snel kennis met het geheel. Hij heeft weinig of geen voorkennis nodig om het te begrijpen. Dit maakt het boek zeer toegankelijk. Na het lezen van het boek beseft men dat het GOK-beleid heel wat kansen biedt, maar zich niet zo eenvoudig laat realiseren. Daarvoor zijn er te veel partners bij betrokken met elk hun verwachtingen, sterke en minder sterke kanten. Het vierde deel is verplichte literatuur voor alle leerkrachten. Het leert hen hoe kansarme mensen tegen de wereld in het algemeen en de school in het bijzonder aankijken. Communicatie en wederzijds respect zijn zeer belangrijk. Alleen zo komen leerkrachten tot een constructieve dialoog met de ouders van kansarme kinderen.

afdrukken

15:23 Gepost door Lieven Coppens in Plantyn | Permalink | Tags: gok, kansarmoede, onderwijskansen, zorg, zorgbeleid, diversiteit | |