2011.09.11

LEMO - Een instrument voor feedback over leren en motivatie

Auteur: Vincent Donche, Peter Van Petegem, Herman Van de Mosselaer & Jan Vermunt (red.)
Titel: LEMO - Een instrument voor feedback over leren en motivatie
Uitgeverij: Plantyn
Plaats: Mechelen
Jaar: 2010
Pagina's: 66
ISBN-13: 978-90-301-0834-4
Prijs: € 30,40

lemo - een instrument voor feedback over leren en motivatieLEMO is, zoals de ondertitel het zegt, een instrument voor feedback over leren en motivatie. Het is een vragenlijst die gebruik maakt van zelfrapportage. Dit houdt in dat de leerling uit de derde graad van het secundair onderwijs of de student uit het hoger onderwijs over zichzelf reflecteert aan de hand van een vragenlijst. Het instrument baseert zich onder andere op het recente wetenschappelijke inzicht dat het meta-leren (nadenken over het eigen leren) versterkend werkt voor het eigenlijke leren.

Via deze vragenlijst kun je verschillende kenmerken van leren en motivatie in kaart brengen. Ze bevraagt vier grote facetten:

  • verwerkingsstrategieën:
    • relateren en structureren;
    • kritisch verwerken;
    • analyseren;
    • memoriseren;
    • concreet verwerken;
  • regulatiestrategieën:
    • zelfsturing;
    • externe sturing;
    • stuurloosheid;
  • kenmerken van studiemotivatie:
    • willen studeren;
    • moeten studeren;
    • demotivatie;
  • inschatting van de eigen studiebekwaamheid (zelfeffectiviteit).

Er zijn vier basisversies van deze vragenlijst, telkens in een Vlaamse en een Nederlandse aanpassing:

  • LEMO (SO-AV): vragenlijst voor de laatste twee jaar secundair onderwijs, actuele vraagstelling;
  • LEMO (SO-RV): vragenlijst voor de overgang van het voorlaatste naar het laatste jaar secundair onderwijs, retrospectieve vraagstelling;
  • LEMO (HO-RV): vragenlijst voor de overgang van het secundair naar het hoger onderwijs, retrospectieve vraagstelling;
  • LEMO (HO-AV): vragenlijst voor het eerste jaar hoger onderwijs, actuele vraagstelling.

Het boek bevat de handleiding voor de afname, een exemplaar van de vier basisversies en de regels voor de kwantitatieve en kwalitatieve duiding van de resultaten. In het laatste hoofdstuk bespreken de auteurs de psychometrische kwaliteiten van het instrument.

De vragenlijsten kun je, zowel in de Vlaamse als in de Nederlandse variant, gratis van het Internet halen via http://www.knooppunt.net. Als lezer van het boek registreer je jezelf eenmalig en gratis als gebruiker. Je kunt dan, via de code uit het boek, de digitale versies van de vragenlijsten gebruiken.

Een betrouwbare aanwinst voor iedere leerling- en studentenbegeleider die werkt in de derde graad van het secundair onderwijs of in het hoger onderwijs.

afdrukken

22:37 Gepost door Lieven Coppens in Plantyn | Permalink | Tags: hoger onderwijs, instrumenten, leren, motivatie, secundair onderwijs, verwerkingsstrategieën, zelfeffectiviteit, zelfregulering | |

2009.01.03

Puzzelen aan een uitdagende leeromgeving

Auteur: Audrey Deleu & Delphine Wante
Titel: Puzzelen aan een uitdagende leeromgeving. Basisdidactiek voor de leraar lager onderwijs.
Uitgeverij: Plantyn
Plaats: Mechelen
Jaar: 2008
Pagina's: 246
ISBN-13: 978-90-301-9319-7
Prijs: € 40,00

puzzelen aan een uitdagende leeromgeving - basisdidactiek voor de leraar lager onderwijsNog maar heel recent deed het competentiegericht leren zijn intrede in het Vlaamse onderwijs.Met dit boek over didactiek geven de auteurs aan hoe dit in het lager onderwijs kan gerealiseerd worden met een uitdagende leeromgeving. Het eerste deel verduidelijkt het didactisch model van waaruit dit boek is geschreven. In dit model staan twee bakens centraal: enerzijds is daar de leerling en anderzijds zijn daar de doelen die men wil (moet) bereiken. De leerkracht kan een uitdagende leeromgeving pas realiseren als hij met deze twee bakens tegelijk rekening houdt en zijn persoonlijke vertaling maakt van een aantal didactische handvaten (die trouwens niet gebonden zijn aan één bepaalde onderwijsvisie) die de basis kunnen vormen voor deze uitdagende leeromgeving. Deze handvaten zijn:

  • Een uitdagende instap of activerende probleemstelling;
  • Integratie;
  • Concreet aanschouwelijk werken;
  • Individualiseren;
  • Leerlinginitiatief;
  • Doelgericht leren;
  • Interactief leren;
  • Werkelijkheidsnabij onderwijs;
  • Sfeer en klasklimaat.

Het tweede deel gaat uitgebreid in op de twee bakens voor een uitdagende leeromgeving: de leerling en de doelen. Eerst en vooral is de beginsituatie van de leerling het vertrekpunt voor een uitdagende leeromgeving. Het is uit deze beginsituatie dat de leerkracht de doelen die hij wil nastreven en bereiken, haalt. Eén nuancering dringt zich hierbij wel op: de verwachte beginsituatie stemt niet altijd overeen met de actuele beginsituatie zoals de leerkracht die aantreft bij zijn leerlingen. Voor alle duidelijkheid: de beginsituatie is ruimer dan enkel het cognitieve. Andere factoren die ze meebepalen zijn de leefwereld van het kind, zijn persoonlijke ontwikkeling, het gedrag van het kind op school en zijn situatie in de klasgroep. De leerkracht moet niet alleen rekening houden met de beginsituatie van de leerling, maar ook met deze van de klas en de school. Het is dus belangrijk dat de leerkracht deze beginsituatie zo snel en goed mogelijk in kaart brengt. Dit kan onder andere door toetsen en observeren maar zeker ook door gesprekken te voeren met individuele leerlingen. Als het baken van de leerling afdoende verkend is, moet de leerkracht zicht richten op de doelen die hij wil nastreven en bereiken. Deze doelen zullen immers zijn keuze van leerinhouden, media, werkvormen, ... beïnvloeden. Het kiezen van de juiste doelen is dan ook een zeer belangrijke basis-competentie voor een leerkracht. De rest van dit tweede deel is er dan ook helemaal aan gewijd.

Het derde deel beschrijft hoe men uitdagende leeromgevingen tot stand kan brengen. In dit uitgebreide hoofdstuk gaan de auteurs achtereenvolgens in op:

  • De rol van de leerkracht als begeleider, opvoeder en organisator;
  • De rol van de leerinhouden en de noodzaak van een zorgvuldige keuze;
  • De rol van de werkvormen en de manier waarop ze competenties kunnen beïnvloeden;
  • De rol van de media en het belang van een zorgvuldige en weloverwogen keuze;
  • De rol van de evaluatie binnen een nieuwe cultuur waarbij de leerling mee verantwoordelijk is voor het eigen leren.

Al deze rollen worden uitgebreid besproken en krijgen hun plaats binnen het geheel. Ze zijn immers veelzijdiger dan men bij een eerste en eenvoudige opsomming zou denken.

Een beschrijving van de drie grote delen in het boek doet het geheel onrecht aan. De meerwaarde ervan ligt in de opzet van het geheel als een studieboek dat door zijn uitwerking de eigen inhoud waarmaakt. Eenvoudiger gezegd: de aandachtige lezer zal merken dat het competentiedenken ook de ruggengraat was waarrond het boek gestalte kreeg. Gevalsstudies en concrete voorbeelden maken het boek voor de lezer werkelijkheidsnabij. Gerichte opdrachten doen de lezer nadenken over de inhouden en zorgen voor een actuele beginsituatie waarop de auteurs als vanzelfsprekend de gewenst doelen en inhouden enten. De doelen die ze bij de verschillende hoofdstukken nastreven zijn trouwens doorheen het boek transparant aangegeven. Terwijl het een praktijkboek is, gekruid met heel wat concrete tips, staan de auteurs toch geregeld stil bij de theoretische achtergronden waarop ze zich baseren. Deze worden telkens beknopt en duidelijk uitgelegd.

Voor mij is dit boek op zich al een uitdagende leeromgeving voor het ganse schoolteam. Voor toekomstige leerkrachten is het een echt didactisch leerboek, voor leerkrachten in de praktijk een ideaal bijscholingsboek.

afdrukken

18:38 Gepost door Lieven Coppens in Plantyn | Permalink | Tags: didactiek, lager onderwijs, competenties | |

Rekenen tot honderd

Auteur: Raf Feys
Titel: Rekenen tot honderd. Basisvaardigheden en zorgverbreding.
Uitgeverij: Plantyn
Plaats: Mechelen
Jaar: 1998 (tweede druk 2002)
Pagina's: 200
ISBN-13: 978-90-301-1779-7
Prijs: € 27,50

rekenen tot honderd - basisvaardigheden en zorgverbredingHet beheersen van de basisvaardigheden in het getallenbereik tot honderd is essentieel voor het succes bij het verdere rekenonderwijs. Binnen het domein van de zorg en de zorgverbreding nemen deze dan ook een belangrijke plaats in. Wie veel met rekenen in het basisonderwijs bezig is, heeft zeker al gemerkt dat er verschillende opvattingen bestaan over hoe men de problemen met de basisvaardigheden tot honderd het beste aanpakt. Raf Feys helpt met dit boek zijn lezers om binnen deze veelzijdigheid een weg te vinden en vult dit alles waar nodig aan met nieuwe zienswijzen.

In zijn algemene inleiding maakt Raf Feys het al meteen duidelijk. We moeten noch het kind, noch het badwater weggooien, en zeker niet allebei. We moeten het badwater gewoon op de juiste temperatuur krijgen. Hoe we dat kunnen doen? Onder andere door de goede elementen uit de klassieke rekendidactiek te herwaarderen en het formalisme weg te werken. Daarbij moet de zorgverbreding voor wiskunde meer aandacht krijgen en moeten recente ontwikkelingen (bv. het gebruik van de zakrekenmachine in de rekenles van de hogere leerjaren) een kans krijgen. De auteur omschrijft hierbij een elftal "oude waarden" die volgens hem moeten geherwaardeerd worden.

In deze inleiding zet Raf Feys de visie van het realistische tegenover deze van het constructivistische rekenonderwijs. Van beide visies zet hij de voor- en de nadelen op een rijtje om te besluiten dat de oplossing niet ligt in het lanceren van een nieuwe rekentheorie maar wel in een verfijning en een bijsturing van de realistische visie door deze te bevruchten met de vele goede waarden uit de eigen rekentraditie. Wat hem betreft is er geen nood aan een nieuwe rekentheorie, zoals de intussen afgevoerde "Moderne Wiskunde", die alles zal oplossen. Een aantal knelpunten van het realistische rekenonderwijs die hiermee zouden opgelost worden zijn:

  • Te weinig automatisering en te weinig oefenstof;
  • Onvoldoende inzicht in de opbouw van de rekenlijnen;
  • Te weinig oefenstof en alternatieven voor zowel de goede als de zwakke rekenaars;
  • Te weinig voorbeelden van contextproblemen en toegepassingsgerichte oefeningen.

Na de inleiding wordt het boek opgesplitst in twee grote delen. In het eerste deel bespreekt de auteur het optellen, aftrekken en splitsen tot twintig. In dit deel beklemtoont hij eerst en vooral het belang van de automaticiteit. Uitgangspunt hierbij is dat zwakke leerlingen er met het inzicht alleen niet komen: door de bewerkingen en splitsingen te automatiseren beschikken ze over een stabielere rekenbasis. Verder houdt de auteur een pleidooi om de voorkennis van de leerlingen uit het eerste leerjaar mee te nemen in de rekendidactiek en mede op basis daar van het inzicht in de bewerkingen te vestigen. Tegelijk benadrukt hij in dit deel het belang van een sturende didactiek voor de zwakke rekenaars.

Verder in dit eerste deel gaat de auteur dieper in op een aantal specifieke didactische principes zoals de volgorde waarin men het splitsen, optellen en aftrekken moet aanbrengen, het tijdstip waarop men de overbrugging van het tiental moet aanbrengen, het gebruik van getallenbeelden, de overgang van het aanschouwelijk naar het mentaal rekenen en de plaats van de vraagstukken en de puntsommen in het rekenonderwijs. Hierbij neemt hij heel duidelijke standpunten in, telkens bekeken vanuit het kind met zorgvragen.

In het tweede deel behandelt de auteur de getallenkennis en het optellen en aftrekken in het getallen-gebied van twintig tot honderd. Dit deel is veel korter dan het eerste, maar niet minder belangrijk. Het uitgangspunt is zeer duidelijk: uit een Nederlands onderzoek is gebleken dat 45% van de Nederlandse kinderen uit groep 5 nog problemen hebben met de moeilijkste opgaven uit het getallengebied tot hon derd. Zonder daarom iets over Vlaanderen te zeggen, stelt de auteur - mijns inziens terecht - dat daaruit blijkt dat het rekenen tot honderd een zeer doordachte aanpak vereist. De volgende thema's komen in dit deel aan bod:

  • Getallenkennis als basis voor het optellen en aftrekken tot honderd;
  • Hoofdrekenen, cijferrekenen en kolomsgewijs rekenen;
  • De cumulatieve opbouw van het gestandaardiseerde rekenen;
  • Voor- en nadelen van de doorreken- en de splitsprocedure;
  • Het werken met aanschouwelijke leermiddelen;
  • Gevarieerd hoofdrekenen en schattend hoofdrekenen;
  • Het verschil tussen een non-directieve en een meer gestuurde methodiek;
  • Het vraagstuk van het vraagstukkenonderwijs.

Meer dan een algemeen werk over rekendidactiek geeft dit boek inzicht in de specifieke didactische vereisten van een goede rekenaanpak in het eerste en tweede leerjaar. Zoals zo vaak helpt het standpunt van het kind met zorgvragen om inzicht te krijgen in wat er allemaal kan fout gaan. Tegelijk helpt het dan ook om de reguliere rekendidactiek bij te sturen. Dit laatste is geen overbodige luxe. Wie de inleiding op het remediëringspakket Rekenspoor heeft gelezen weet dat de auteurs een van de oorzaken van rekenproblemen binnen de school en niet binnen het kind leggen maar binnen de school, namelijk de rekenmethode die gebruikt wordt en de manier waarop de leerkracht daarmee omgaat. Wat betreft de methode is het abstractieniveau waarop nieuwe leerstof wordt aangeboden van belang. In sommige methodes zijn de leerstappen te groot, waardoor een deel van de kinderen al snel afhaakt. Veel nieuwere methodes stellen zeer hoge eisen aan het didactisch handelen van de leerkracht. Leerprocessen worden vanuit het werken met concreet materiaal opgebouwd. Als deze processen niet goed worden begeleid, ontstaan stagnaties in het leren rekenen (blz. 10, Rekenspoor a).

Een niet te verwaarlozen naslagwerk.

afdrukken

14:19 Gepost door Lieven Coppens in Plantyn | Permalink | Tags: lager onderwijs, didactiek, zorg, rekenen | |

2008.10.31

Leren oplossen van vraagstukken

Auteur: Lieven Verschaffel, Eric De Corte, Sabien Lasure & Griet Van Vaerenbergh
Titel: Leren oplossen van vraagstukken. Een lessenreeks voor leerlingen uit de hoogste klassen van de basisschool.
Uitgeverij: Plantyn
Plaats: Mechelen
Jaar: 2004
Pagina's: 312
ISBN-13: 978-90-301-1780-3
Prijs: € 45,-

leren oplossen van vraagstukken. een lessenreeks voor leerlingen uit de hoogste klassen van de basisschool.Het boek Leren oplossen van vraagstukken. Een lessenreeks voor leerlingen uit de hoogste klassen van de basisschool verscheen eerst als onderdeel van de Praktijkgids voor het basisonderwijs van dezelfde uitgever. Dit is het resultaat van een onderzoeksproject dat liep aan het Centrum voor Instructiepsychologie- en Technologie van de Katholieke Universiteit te Leuven. Het uitgangspunt van dit onderzoeksproject was de concrete vaststelling dat het vraagstukkenonderwijs in Vlaanderen ontoereikend was. Deze lessenreeks moet de leerlingen de kennis, vaardigheden en houdingen bijbrengen die een noodzakelijke voorwaarde zijn voor het met succes oplossen van vraagstukken.

In het eerste hoofdstuk schetsen de auteurs de achtergrond bij de uitgewerkte lessenreeks. Ze zijn hierbij uit-gegaan van de nieuwe eindtermen voor het vakgebied Wiskunde uit 1998. Ze schetsen een model van vaardig probleemoplossen dat bestaat uit vijf fasen: analyse, planning, uitvoering, interpretatie en controle. Om dit model vlot te kunnen doorlopen, moet de leerling vier verschillende componenten geïntegreerd kunnen toepassen:

  • de vakkennis en de ervaringskennis
  • de heuristieken
  • de metacognitie
  • de affectieve aspecten

Samen met de vijf fasen moeten ze een krachtige leeromgeving scheppen voor het leren oplossen van vraagstukken. Deze krachtige leeromgeving kan men visueel omzetten naar de volgende matrix:

 

vak- en ervaringskennis

heuristieken

metacognitie

affectieve aspecten

analyse

 

 

 

 

planning

 

 

 

 

uitvoering

 

 

 

 

interpretatie

 

 

 

 

controle

 

 

 

 

Deze matrix laat ons dan ook meteen toe enkele typische tekorten van leerlingen bij het oplossen van vraagstukken een plaats te geven. Het gaat over de volgende tekorten:

  • een tekort op het vlak van de domeinspecifieke kennis
  • het negeren van de eigenervaringskennis tijdens het oplossen van vraagstukken
  • een tekort in het toepassen van heuristieken
  • een tekort in het toepassen van metacognitieve vaardigheden
  • onjuiste en onvruchtbare ideeën en houdingen tegenover het oplossen van problemen

De oorzaken van dit alles kunnen volgens de auteurs toegeschreven worden aan het opgavenaanbod dat stereotiep en wereldvreemd is, de instructietechnieken die niet krachtig genoeg zijn en de heersende cultuur in de wiskundelessen in het algemeen en de vraagstukkenlessen in het bijzonder die leiden tot een oppervlakkigheid in het oplossen van wiskundige problemen.

Het tweede hoofdstuk laat zich lezen als de algemene handleiding bij de lessenreeks uit het boek. Het geeft de algemene doelstellingen bij de lessenreeks zeer expliciet mee, tegelijk met de 3 pijlers waarop de lessenreeks steunt. De opbouw van de lessenreeks krijgt in dit deel eveneens zijn verantwoording en een aantal methodieken (EHBO-boekje, groepswerk, ...) worden verantwoord.

Het derde hoofdstuk omvat de 20 lessen waaruit het programma bestaat. Bij elke les staat duidelijk aangegeven welke doelen men nastreeft, welk materiaal er nodig is en hoe de les verloopt. Dit lesverloop is zeer concreet en nagenoeg kant-en-klaar uitgeschreven met talrijke tips voor de leerkracht.

Het vierde en laatste hoofdstuk gaat over de evaluatie van het effect van de lessenreeks. Hierbij worden de positieve aspecten op een eerlijke manier naast de knelpunten vermeld. De bijlagen bevatten alle noodzakelijke materialen die men nodig heeft zoals werkblaadjes, het EHBO-boekje e.d.

Dit boek is een echte aanrader voor iedereen die het vraagstukkenonderwijs op school grondig wil aanpakken. Door de open aanpak kan het gebruikt worden naast elke bestaande methode. Zoals altijd staat de naam van professor Lieven Verschaffel garant voor een kwaliteitsvol boek.

afdrukken

12:30 Gepost door Lieven Coppens in Plantyn | Permalink | Tags: rekenen, vraagstukken, didactiek, basisonderwijs | |

Lezen om te weten

Auteur: Anita Wuestenberg
Titel: Lezen om te weten. Werken met informatieve boeken in de basisschool.
Uitgeverij: Plantyn
Plaats: Mechelen
Jaar: 2004
Pagina's: 64
ISBN-13: 978-90-301-8296-2
Prijs: € 15,50

lezen om te weten. werken met informatieve boeken in de basisschool.Het boek Lezen om te weten. Werken met informatieve boeken in de basisschool, was eerder ook een bijdrage tot de Praktijkgids voor de basisschool van dezelfde uitgeverij. Het blijft brandend actueel omdat het over een thema gaat dat vandaag de dag nog steeds aan belang wint en tegelijkertijd nog te vaak onderschat wordt: het thema van de informatiegeletterdheid. Of anders gezegd: Waar halen we vandaag de dag onze informatie? Welke informatie weerhouden we? Hoe verwerken we deze informatie? Wat doen we met deze informatie?

Dit boek bekijkt enkel het onderdeeltje van de informatieve kinderboeken. Omdat de auteur er van overtuigd is dat kinderboeken hun plaats zullen blijven behouden thuis en op school. Ook met het Internet als concurrent. Omdat de informatie op het Internet niet altijd afgestemd is op maat van de kinderen. Ook omdat niet alle kinderen van thuis uit spontaan met (informatieve) boeken in aanraking komen en daardoor de specifieke vaardigheden en strategieën niet deducerend zullen leren. Het kan een optie zijn van het gelijke onderwijskansenbeleid op school om de kansarme leerlingen via informatieve kinderboeken deze vaardigheden en strategieën toch aan te leren. Deze kunnen ook gebruikt worden om informatie op het Internet terug te vinden. Mits ze aangevuld worden met een aantal Internetspecifieke vaardigheden en strategieën.

Het boek van Anita Wuestenberg bestaat uit 4 delen. In het eerste deel gaat de auteur met haar lezers op verkenning in de wereld van de informatieve boeken. Je leert niet alleen wat een informatief boek is en welke soorten informatieve boeken er bestaan, maar ook waaraan men een goed informatief boek kan herkennen. Diverse criteria passeren de revue zoals het taalgebruik, de illustraties het evenwicht tussen feiten en fictie, de structuur en de betrouwbaarheid van het boek. Bij de betrouwbaarheid van het boek gaat het onder meer over het gebruiken van recente en niet-verouderde informatie en het weergeven van verschillende visies over een bepaald maatschappelijk onderwerp.

In het tweede deel beschrijft de auteur hoe een leerkracht zijn leerlingen informatieve boeken in de klas kan leren gebruiken. Hierbij gaat ze verder dan leesbevorderende en leesmotiverende activiteiten alleen. De vijf voornaamste deelvaardigheden die je nodig hebt om informatieve boeken goed te gebruiken, worden hier duidelijk omschreven en geïllustreerd zijn. Het zijn:

  • het gericht zoeken
  • het gebruik van een inhoudsopgave
  • het kunnen gebruiken van registers
  • de functies van illustraties begrijpen
  • inzicht hebben in de structuur van het boek

Dit alles wordt nog eens extra toegelicht met het navormingsaanbod Een koffer vol boeken van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, een kort stukje over het lezen van informatie over informatieve boeken aan de hand van De Boekentrommel, een kinder- en jeugdboekenmagazine dat jaarlijks verschijnt en een uitgebreider stukje over het gebruik van informatieve boeken in de lessen wereldoriëntatie.

Het derde deel geeft een aanzet om leerkrachten wegwijs te maken in de wereld van de informatieve boeken. Het vierde deel bestaat uit een lijst van informatieve boeken, geordend volgens leeftijd.

Dit boekje (of de katern uit de Praktijkgids voor de basisschool) is zoals ik in de inleiding schreef, nog steeds actueel. Het wordt nog belangrijker dan vroeger om mee te kunnen met onze informatiemaatschappij. Dit kan met de strategieën en vaardigheden die in Lezen om te weten aangeboden worden. Een belangrijke doelgroep hierbij zijn zeker de kansarmen. Zij zijn momenteel nog te vatbaar voor een nieuwe vorm van analfabetisme, het niet kunnen ter hand nemen en interpreteren van informatieve boeken en teksten.

afdrukken

12:30 Gepost door Lieven Coppens in Plantyn | Permalink | Tags: taal, lezen, informatiegeletterdheid, basisonderwijs, geletterdheid, didactiek | |