2010.10.03
Het grote snoezelboek
| Auteur: | Joep Derie en Ronny Vanoosthuyse |
| Titel: | Het grote snoezelboek - Een wondere wereld van zintuigen |
| Uitgeverij: | Abimo/Schoolsupport |
| Plaats: | Sint-Niklaas/Zuidhorn |
| Jaar: | 2008 |
| Pagina's: | 206 |
| ISBN-13: | 978-90-5932-295-0 |
| Prijs: | € 24,50 |
Het woordenboek Van Dale omschrijft snoezelen als het zich bevinden in een ruimte met voorwerpen, beelden, kleuren, geuren en geluiden die de zintuigen aangenaam prikkelen. Het woord is een samen-trekking van de woorden snuffelen en doezelen. Gegroeid vanuit de werking met mensen met een ernstige mentale beperking, vond het snoezelen zijn weg naar andere doelgroepen. In Vlaanderen deed het ondermeer zijn intrede in het kleuteronderwijs. Hieronder zie je hoe de Vrije Kleuterschool ’t Kersenpitje uit het Oost-Vlaamse Waarschoot het snoezelen aanpakt.
In het Grote snoezelboek legden de auteurs vijftien jaar ervaring vast. Gegroeid vanuit de praktijk, laat het boek de inhoudelijke en filosofische achtergrond van het snoezelen niet liggen. Je kunt het dan ook beschouwen als het eerste Vlaamse naslagwerk over snoezelen in de kleuterschool. Scholen die ermee willen starten moeten het zeker lezen.
In het eerste hoofdstuk schetsen de auteurs de ontstaansgeschiedenis van het snoezelen en geven ze er een uitgebreide definitie van. Je leert dat het een begeleid en doelgericht gebeuren is waarbij zintuiglijke prikkels selectief in een sfeervolle omgeving worden aangeboden. Daarbij houdt men bewust rekening met de eigen aard van elk kind.
Het tweede hoofdstuk breekt een lans van de Joeron-methodiek. Dit stappenplan garandeert dat het snoezelen een begeleid en doelgericht gebeuren is voor de deelnemers. Het besteedt aandacht aan de voorbereiding en de uitvoering van het snoezelen. Belangrijk hier vind ik het onderdeel waar de drie voorwaardenscheppende elementen besproken worden, namelijk:
- een begeleidster die er klaar voor is;
- kinderen die er klaar voor zijn;
- een ruimte die er klaar voor is.
Het derde en meest praktische hoofdstuk leert ons hoe je zelf goede snoezelvoorwerpen kunt maken. Centraal staan de specifieke eigenschappen waaronder:
- het selectieve;
- het verwonderende;
- het contrasterende;
- het variërende;
- …
In dit hoofdstuk lees je verder hoe je stap voor stap tientallen snoezelvoorwerpen kunt maken.
Aangezien snoezelen een eigen ruimte vraagt, hebben de auteurs er het vierde hoofdstuk aan gewijd. Hierin bespreken ze de kernprincipes bij de inrichting van de snoezelruimte en haar basiselementen. Ze eindigen dit hoofdstuk met de voorstelling van enkele Vlaamse projecten.
In het vijfde hoofdstuk komt het verschil tussen snoezelen enerzijds en zintac en zintex anderzijds, aan bod. Deze twee laatste woorden staan voor zintuigen activeren (zintac) en zintuiglijk experimenteren (zintex). Hierbij staat het stimuleren van de zintuigen voorop, en niet zozeer het ervaren door en genieten van de zintuigen.
Het zesde en laatste hoofdstuk geeft een multimediaal overzicht van inspiratiebronnen.
Voor wie snoezelen wil leren kennen en meteen ook uitproberen is dit Het Boek.
2010.05.08
De Dyslexie Survivalgids
| Auteur: | Annemie De Bondt in samenwerking met Luc Descamps |
| Titel: | De Dyslexie Survivalgids |
| Uitgeverij: | Abimo/Schoolsupport |
| Plaats: | Sint-Niklaas/Zuidhorn |
| Jaar: | 2009 |
| Pagina's: | 80 |
| ISBN-13: | 978-90-593-2516-6 |
| Prijs: | € 10,95 |
Een van de dingen die uitgeverij Abimo sterk maakt, is haar kunst en kundigheid om mensen die inhoud willen brengen voor kinderen te koppelen aan een jeugdschrijver. Op deze manier brengt ze wetenschappelijk juiste informatie op een prettige en zeer toegankelijke manier in het bereik van jeugdige lezers. De Dyslexie Survivalgids is daar een mooi voorbeeld van. Alleen al daardoor is dit boekje, ondanks een aantal bedenkingen die ik hierna formuleer, een aanrader.
In de inleiding leggen de auteurs uit hoe het kind dit boekje kan gebruiken. Om dan meteen in het eerste hoofdstuk haarfijn en duidelijk uit te leggen wat dyslexie is. Thema's zoals, het voorkomen, de verklaring van dyslexie, de rol van de erfelijkheid en de kenmerken van dyslexie op verschillende leeftijden passeren de revue. De gegeven informatie is wetenschappelijk correct onderbouwd.
Het tweede hoofdstuk beschrijft de mogelijke emotionele gevolgen van dyslexie. Dit is geen theoretische lijst maar een zeer concrete beschrijving van aspecten zoals het zich anders voelen, demotivatie, het verlies van zelfvertrouwen en faalangst. Een sterk hoofdstuk!
In het derde hoofdstuk schetsen de auteurs een deeltje van het hulpverleningsproces. Ik schrijf bewust "een deeltje", omdat de rol die het CLB in het verwijzingsproces speelt, helemaal niet aan bod komt. In de praktijk is het in de goede traditie van zorgoverleg tussen school en CLB op de basisschool zo dat het team pas na uitgebreid overleg en verantwoorde diagnostiek door het CLB besluit tot doorverwijzing naar een logopedist. In het licht van de diagnostische protocollen voor de CLB's die de afgelopen tijd zijn ontwikkeld en binnenkort in werking treden, wekt dit hoofdstukje een verkeerde en te oppervlakkige indruk: school en CLB verwijzen kinderen nooit na het afnemen van "een onderzoekje". Daarenboven doet het ook afbreuk aan de deskundigheid van de leerkrachten en de remediërende kracht van de basisscholen. Als een kind met dyslexie beter leert lezen en schrijven is het niet dankzij de logopedist, maar mede door het toedoen van de logopedist.
Het vierde hoofdstuk "School" probeert het kind te overtuigen om open te zijn over zijn dyslexie. Het legt heel kort uit wat sticordimaatregelen zijn en welke vorm ze kunnen aannemen. Het geeft een mooi overzicht van concrete maatregelen. Ook de praktische "Tips voor jezelf" zijn zeer goed. In dit hoofdstuk komen ook de softwarepakketten Sprint en Kurzweil heel summier aan bod. Helaas is de beschrijving van deze softwarepakketten niet gelijkwaardig. Je bespeurt doorheen de beschrijving de voorkeur van de logopediste. Dit had objectiever gekund. Daarenboven doet de beschrijving onrecht aan beide pakketten.
Het vijfde hoofdstuk over bekende personen met dyslexie is stilaan een klassieker in dergelijke boekjes. Het toont de kinderen met dyslexie meer dan terecht aan dat zij ook veel kunnen bereiken.
De auteurs vullen het vijfde hoofdstuk aan met het verhaal van een kind en het verhaal van een ouder. Ook hierin negeren de auteurs de rol van het CLB volkomen. In de praktijk is het zelden zo dat een leerkracht een kind rechtstreeks naar de logopedist verwijst.
In het achtste hoofdstuk geven de auteurs een lijst met nuttige websites. Ook hier ontbreekt elke verwijzing naar de deskundigheid van het CLB in verband met dyslexie. Dit is uitermate jammer, zeker omdat in dit lijstje enkel de website van de Vlaamse Vereniging voor Logopedisten voorkomt. Bij een eventuele herdruk van dit boekje is het wenselijk dat de auteurs het hulpverleningsproces juister en onpartijdiger in beeld brengen. Dan kan dit een boekje zijn met een heel grote meerwaarde.
22:19 Gepost door Lieven Coppens in Abimo, Schoolsupport | Permalink | Email dit
| Tags: lezen, spelling, taal, dyslexie, zorg, compenseren, basisonderwijs, stimuleren, remedieren, dispenseren, leerprobleem, leesprobleem, spellingprobleem |
|
2010.05.02
Je huiswerk maken zonder ziek te worden
| Auteur: | Walter Dons |
| Titel: | Je huiswerk maken zonder ziek te worden |
| Uitgeverij: | Abimo/Schoolsupport |
| Plaats: | Sint-Niklaas/Zuidhorn |
| Jaar: | s.d. |
| Pagina's: | 112 |
| ISBN-13: | 978-90-593-2412-1 |
| Prijs: | € 9,95 |
Dit boekje uit de reeks Lach en leer is bedoeld voor leerlingen van het derde tot en met het zesde leerjaar. Het bevat heel wat ideeën rond het leren van lessen en het maken van toetsen en proefwerken. Op een speelse en leuke manier komen heel wat principes uit de traditionele lessen "Leren studeren" aan bod.
De ludieke inleiding over het niet maken van huiswerk is zeer herkenbaar voor kinderen en ouders. Toch blijft de boodschap duidelijk: huiswerk maken heeft zin! De volgende twee hoofdstukken gaan meteen over enkele belangrijke voorwaarden om dit in de beste omstandigheden te kunnen doen. Aan bod komt onder andere het belang van:
- een pauze tussen school en huiswerk;
- breinvriendelijke tussendoortjes;
- een vast beginuur;
- een huiswerkvriendelijke werkplek;
- ...
De auteur geeft hier vanzelfsprekend concrete tips bij. Vervolgens staat hij stil bij het plannen van de huiswerkmomenten. Hierbij gaat hij uit van een vaste weekplanning waarin je eerst alle structurele ontspanningsmomenten (muziekschool, tekenacademie, jeugdbeweging, sportclub, ...) invult. Daarna geeft hij een woordje uitleg bij de meer flexibele dagplanning. Zeven tips moeten de leerling daarbij helpen. In het vijfde hoofdstuk maakt de auteur het nog eens duidelijk dat actief aanwezig zijn in de klas het maken van huiswerk gemakkelijker maakt.
Heel belangrijk is het hoofdstuk over het werken aan een langlopende taak. Voor veel schoolkinderen is dit een aartsmoeilijke opdracht. De auteur biedt hen een heel gestructureerde manier van werken aan.
Hoofdstukken zeven en acht behandelen typische onderwerpen van het "Leren studeren", zoals:
- het belang van herhalen;
- het maken van schema's;
- het gebruiken van gedachtekaarten;
- het belang van samenvattingen;
- strategieën om een tekst te leren...
Het negende hoofdstukje geeft nog meer tips zoals het gebruiken van ezelsbruggetjes. Het benadrukt ook dat het belangrijk is om te (willen) leren uit de resultaten van een toets of proefwerk.
In het voorlaatste hoofdstuk werkt de auteur een strategie uit om een proefwerk te maken. Voor veel leerlingen uit de lagere school is ook dit geen overbodige luxe.
Het boekje eindigt met een aantal tips voor leerkrachten en ouders.
Net zoals de andere boekjes uit de reeks Lach en leer is dit boekje zeer vlot en licht geschreven met heel wat knipoogjes naar leerlingen, leerkrachten en ouders. Heel wat tekeningen en schema's ondersteunen de tekst. Samen met dat andere boekje uit dezelfde reeks Organiseer jezelf zonder je hoofd te verliezen, is het een krachtige ondersteuning voor alle schoolkinderen
14:33 Gepost door Lieven Coppens in Abimo, Schoolsupport | Permalink | Email dit
| Tags: examens, leren, plannen, leren leren, samenvatten, mindmap, structureren, huiswerk, organiseren, leertips, leren studeren, studiemethode, studietechnieken |
|
2010.03.14
Relatie met de ouders, goed voor elkaar
| Auteur: | Duco Creemers & Thijs Radersma |
| Titel: | Relatie met de ouders, goed voor elkaar Programma om de kwaliteit van de relatie met de ouders 'goed voor elkaar' te krijgen en te houden |
| Uitgeverij: | Schoolsupport/Abimo |
| Plaats: | Zuidhorn/Sint-Niklaas |
| Jaar: | 2008 |
| Pagina's: | 104 + Cd-rom |
| ISBN-13: | 978-90-8664-055-3 |
| Prijs: | € 149,- |
Het is belangrijk voor een school dat ze een goede relatie heeft met alle ouders. Dat spreekt niet altijd vanzelf. Met Relatie met de ouders, goed voor elkaar haalt de school een instrument in huis om de kwaliteit van deze relatie te bewaken en te verbeteren.
Dit programma is een instrument. Verwacht dus geen theoretische uiteenzetting over kwaliteitszorg. Het is de bedoeling dat je er als school meteen mee aan de slag kunt gaan. De auteurs hebben alle acties die de school kan ondernemen, verdeeld in vijf rubrieken:
- Ouders informeren over de school;
- Ouders informeren over hun kind;
- Ouders betrekken bij de school;
- Formele contacten plannen tussen ouders en school;
- De verwachtingen en ideeën van ouders kennen. Deze rubriek is zeer sterk uitgewerkt. Omdat de scholen in Nederland verplicht zijn om van de ouders om de vier jaar een enquête af te nemen.
Als school bereik je dit alles niet zomaar. Daarvoor moet je binnen het schoolteam duidelijke afspraken maken. Deze afspraken kan je in dit kwaliteitsinstrument vastleggen. Na afloop hiervan krijgen alle betrokkenen een persoonlijke takenlijst. Bij elke taak is er ruimte voorzien om de stand van zaken weer te geven. Je kunt zelfs een bepaalde taak tot prioriteit maken en daaraan de nodige acties verbinden. De taken die goed zijn uitgevoerd, zijn meteen een goede indicator voor de kwaliteit van het geheel.
In de map bij de Cd-rom die het eigenlijke kwaliteitsinstrument bevat, vind je heel wat nuttige informatie om het programma vlot en goed te gebruiken. Handige stappenplannen nemen de gebruiker mee in de wereld van dit kwaliteitsinstrument.
Omdat je als school niet alles tegelijk kunt realiseren, is het goed om te werken met een ontwikkelingsplan. In de map bij de Cd-rom zit daarvoor een katern met suggesties. Deze zijn in dezelfde rubrieken als hierboven onderverdeeld.
De laatste katern van de map bevat concrete voorbeelden bij de verschillende stappenplannen en suggesties voor de ontwikkelingsplannen. Een aantal van deze voorbeelden vind je in Word-formaat op de Cd-rom en zijn volledig aanpasbaar. Een greep uit het aanbod:
- Een gespreksformulier met handleiding en aandachtspunten voor een huisbezoek;
- Een intakeformulier voor een nieuwe leerling met een uitgebreide beschrijving van de procedure;
- Een formulier om een oudercontact inhoudelijk goed voor te bereiden;
- Een inhoudelijke beschrijving met suggesties voor een evolutiegesprek over een leerling;
- Een overzicht van werkvormen voor een ouderavond.
Geschreven vanuit de Nederlandse context, is dit kwaliteitsinstrument in Vlaanderen ook heel goed bruikbaar. Het brengt structuur en systematiek in het bewaken van de relatie tussen ouders en school. Een thema dat ook hier zeer actueel is.
22:45 Gepost door Lieven Coppens in Abimo, Schoolsupport | Permalink | Email dit
| Tags: ouders, lager onderwijs, kleuteronderwijs, basisonderwijs, methodiek, ouderbetrokkenheid, ouderparticipatie, kwaliteitszorg |
|
2009.12.28
Motoriekcircuit - Actief werken aan de motorische ontwikkeling
| Auteur: | Lenty van de Sande-Hoetmer |
| Titel: | Motoriekcircuit. Actief werken aan de motorische ontwikkeling. |
| Uitgeverij: | Schoolsupport/Abimo |
| Plaats: | Zuidhorn/Sint-Niklaas |
| Jaar: | s.d. |
| Pagina's: | 18 blz. (handleiding) + 108 opdrachtenfiches in verzamelbox |
| ISBN-13: | 978-90-8664-139-0 |
| Prijs: | € 85,- |
Hoe maak je als basisschool een doorgaande lijn voor motoriek? Dit is een vraag die veel scholen in Nederland en Vlaanderen zich ongetwijfeld stellen. Deze vraag beperkt zich niet tot het eerste leerjaar. Ze komt voor in alle leerjaren. Het toenemende aantal diagnoses van een coördinatieontwikkelingsstoornis (ontwikkelingsdyspraxie) is daar niet vreemd aan.
De openbare basisschool Caleidoscoop te Almere zag zich in het schooljaar 1996-1997 voor ongeveer dezelfde vraag geplaatst. Het viel de leerkrachten van groep 3 (1e leerjaar) op dat veel kinderen het schrijven motorisch nog niet aankonden. Daarenboven was er ook een leerling op school met een lichamelijke handicap. Onder begeleiding van een revalidatiecentrum maakte het team een begin met het opbouwen van een doorgaande lijn voor motoriek. Omdat ze merkten dat ook kleuters en sommige oudere leerlingen nood hadden aan extra ondersteuning. De specifieke doelstellingen halen we zo uit de handleiding (blz. 5) :
- Groepen 1 & 2 (2e en 3e kleuterklas):
- Van grof- tot fijn motorisch bezig zijn, met de nadruk op het gebruik van beide handen (symmetrie).
- Groep 3 (1e leerjaar):
- De motorische vaardigheid trainen en stimuleren.
- Vanuit de symmetrie de lateralisatie bevorderen.
- Bewust worden van het eigen lichaam.
- De goede houding op een stoel en aan tafel aanleren.
- Groepen 4 tot en met 8 (2e tot en met 6e leerjaar):
- De dominantie van de voorkeurshand bevorderen.
- De dominante hand beter laten ondersteunen door de andere hand.
In de handleiding vind je ook een stukje over de normale motorische ontwikkeling van kinderen. Dit moet je zeker lezen. Zo begrijp je de opzet van Motoriekcircuit beter. Je leest er ook hoe je het geheel organiseert voor de school (soorten activiteiten, benodigde materialen, frequentie, ...).
De opdrachten staan op zeer aantrekkelijke en kindvriendelijke fiches. Ze zijn geschreven in eenvoudige taal. Tekeningen verduidelijken de opdracht. Onderaan elke fiche leest en ziet de leerling welk materiaal hij nodig heeft. In principe kan hij zelfstandig aan de slag.
De fiches zijn als volgt ingedeeld:
- Groepen 1 & 2 (2e & 3e kleuter): 12 opdrachten
- Groep 3 (1e leerjaar): 18 opdrachten
- Groep 4 (2e leerjaar): 18 opdrachten
- Groep 5 (3e leerjaar): 18 opdrachten
- Groep 6 (4e leerjaar): 18 opdrachten
- Groep 7 (5e leerjaar): 12 opdrachten
- Groep 8 (6e leerjaar): 12 opdrachten
Vier lege fiches nodigen de leerkracht uit om extra opdrachten te maken.
Het materiaal dat je nodig hebt voor Motoriekcircuit is wellicht voor een groot deel al op school aanwezig. Andere materialen, zoals handboeken voor Origami, stressballetjes en jongleermateriaal zal je moeten aankopen.
De opdrachtenfiches zijn van stevig papier en kunnen tegen een stootje. Je kunt ze reinigen met een vochtige doek. Een handige eigenschap!
Motoriekcircuit is een doordacht geheel van opdrachten in stijgende moeilijkheidsgraad. Elke opdracht is daarenboven aangepast aan de bedoelde leeftijd. Wat niet wegneemt dat men Motoriekcircuit ook kan gebruiken voor een individueel zorgtraject. Zowel binnen het reguliere als speciale (buitengewone) onderwijs verdient het zijn plaats. Niet in het minst omdat recent onderzoek heeft uitgewezen dat er achter veel leerproblemen ook een motorisch probleem schuil gaat.
19:14 Gepost door Lieven Coppens in Abimo, Schoolsupport | Permalink | Email dit
| Tags: ontwikkeling, motoriek, zorg, schrijfmotoriek, symmetrie, fijne motoriek, motorische ontwikkeling, lateralisatie |
|












