2017.11.26

Effectief rekenonderwijs op de basisschool

Auteur: Marcel Schmeier
Titel: Effectief rekenonderwijs op de basisschool
Uitgeverij: Pica|Pelckmans Pro
Plaats: Huizen|Kalmthout
Jaar: 2017
Pagina's: 19296
ISBN-13: 978-94-91806-59-9
Prijs: € 27,95

Vraag: Moeten we het nieuwe boek van Marcel Schmeier tot een verplicht handboek maken voor iedereen die in Vlaanderen en Nederland de opleiding volgt voor leerkracht in het basisonderwijs?

Antwoord: Niet aarzelen, gewoon doen. Het boek biedt een directe, effectieve én inclusieve toegang tot een didactiek die recht doet aan ieder kind, die ieder kind op het vlak van rekenen laat groeien. Het vervangt de traditionele rekendidactiek niet, het versterkt die exponentieel, niet in het minst omdat het afrekent met een aantal hardnekkige mythes in verband met het oude, rekentraditionele onderwijs. Of hoe het kwaliteitsmerk vintage ook het Vlaamse en Nederlandse onderwijs heeft bereikt.

effectief rekenonderwijs op de basisschoolIn zijn boek heeft Marcel Schmeier het in een eerste hoofdstuk over het verschil tussen het realistisch en traditioneel rekenen en het getouwtrek tussen beiden om in het onderwijs de overhand te halen. Deze verschillen brengt hij haarfijn aan de oppervlakte aan de hand van vijf vragen:

  • Context als startpunt of sluitstuk?
  • Ontdekken of instructie?
  • Beheersing door begrip of begrip door beheersing?
  • Kolomsgewijs of cijferend rekenen?
  • Happendeling of staartdeling?

Hij beëindigt als het ware deze strijd aan het einde van dit hoofdstuk door de aanwijzingen voor effectief rekenonderwijs zoals die in de wetenschappelijke literatuur worden aangegeven nog eens op een rijtje te zetten. Alleen dit al maakt het boek meer dan de moeite waard!

Het tweede hoofdstuk staat helemaal in het teken van het effectief rekenonderwijs in de klas. Samengevat komt dit neer op drie belangrijke punten:

  • Van voordoen naar zelf doen;
  • Van concreet naar abstract;
  • Van kunstje naar kunst.

Ik ben ervan overtuigd dat heel veel leerkrachten meteen enthousiast zullen zijn over de geschetste opbouw van een goede en effectieve rekenles en er meteen mee aan de slag zullen (willen) gaan.

Marcel Schmeier beschrijft in het derde hoofdstuk van zijn boek hoe men kan omgaan met de verschillen tussen zwakke en sterke rekenaars. Geen overbodige luxe binnen de Vlaamse en Nederlandse onderwijscontext. Als leerkracht leer je succesfactoren herkennen in verband met het omgaan met verschillen, leer je hoe je in de eigen lespraktijk kunt aansluiten op de onderwijsbehoeften van zowel de zwakke als de sterke rekenaars en hoe je dit allemaal kunt organiseren. Bij dit laatste bewandelt hij het volledige continuüm van de leerling met ernstige rekenproblemen en dyscalculie tot en met de excellente rekenaars.

Het automatiseren is het centrale thema van het vierde hoofdstuk. Iedere leerkracht die dit ziet als 'gewoon van buiten leren' of een resolute tegenstander is van het automatiseren moet dit hoofdstuk grondig doornemen. Voor hen, maar ook voor de andere leerkrachten, valt hier nog veel te leren. Hetzelfde geldt trouwens voor het vijfde hoofdstuk dat helemaal in het teken staat van de Nederlandse verhaal- en contextsommen en de Vlaamse oerdegelijke vraagstukken.

Hoe je het effectief rekenonderwijs organiseert op school komt uitgebreid aan bod in het laatste hoofdstuk. Verplichte literatuur voor het beleidsteam om daarna alle leerkrachten te bezielen.

Deze bespreking doet heel veel onrecht aan het nieuwste boek van Marcel Schmeier. Dingen die ik noodgedwongen niet heb aangeraakt maar dit werk tot een belangrijk inspiratie- en didactisch leerboek maken zijn:

  • De voor elk hoofdstuk zorgvuldig geformuleerde leerdoelen;
  • De uitgebreide bibliografie;
  • De vele en goed gekozen citaten;
  • De zorgvuldig uitgekozen schema's en illustraties;
  • De vele illustratieve tekstkaders;
  • De opdrachten voor zelfreflectie;
  • De vele verwijzingen naar verbredende en verdiepende literatuur;
  • De aanwezigheid van overzichten, hulpmiddelen en andere materialen die je van het Internet kunt afhalen voor direct gebruik.

Met andere woorden: het zoveelste naslagwerk met karakter dat door uitgeverij Pica, in dit geval samen met de Vlaamse uitgeverij Pelckmans Pro, wordt uitgegeven.

Een naslagwerk met karakter!

naslagwerk met karakter afdrukken

2008.12.14

Protocol Leesproblemen en Dyslexie voor het Speciaal Basisonderwijs

Auteur: Hanneke Wentink & Eveline Wouters
Titel: Protocol Leesproblemen en Dyslexie voor het Speciaal Basisonderwijs
Uitgeverij: Expertisecentrum Nederlands
Plaats: Nijmegen
Jaar: 2005 (tweede druk)
Pagina's: 320
ISBN-13: 978-90-77529-11-X
Prijs: € 32,94

protocol leesproblemen en dyslexie voor het sboHet Protocol Leesproblemen en Dyslexie voor het Speciaal Basisonderwijs sluit aan bij de protocollen voor groep 1-4 en 5-8 (zie vorige besprekingen). Het vertrekt vanuit de vaststelling dat een groot deel van de leerlingen die in het speciaal basisonderwijs (het Vlaamse buitengewoon onderwijs type1 en type 8) les volgen, moeite heeft met het leren lezen. Ook voor hen is het van belang dat ze zich kunnen redden in onze geletterde maatschappij. Concreet betekent dit dat zij - meer nog dan andere kinderen - nood hebben aan een zo aanvaardbaar mogelijk niveau van functionele geletterdheid.

Het Protocol Leesproblemen en Dyslexie voor het Speciaal Basisonderwijs biedt leerkrachten, intern begeleiders, remedial teachers, logopedisten en andere leesspecialisten die in het speciaal basisonderwijs werkzaam zijn, richtlijnen om de leesontwikkeling van leerlingen gedurende alle jaargroepen systematisch te volgen. Het geeft aanwijzingen voor observatie en toetsing van leesvaardigheden en vaardigheden die daaraan voorafgaan in de kleuterperiode. Het protocol biedt een signaleringslijst voor kleuters en adaptieve toetsen voor de periode van het aanvankelijk lezen die gerelateerd zijn aan de herfstsignalering uit het protocol voor groep 1-4. Daarnaast biedt het handreikingen voor de begeleiding van leerlingen waarbij de leesontwikkeling dreigt te stagneren. Deze handreikingen sluiten aan bij bestaande methoden, materialen en orthotheken en bij recente bevindingen uit de literatuur rondom effectieve leesbegeleiding.

Het boek bestaat uit 6 thematische hoofdstukken:

  • Inleiding
  • Dyslexie
  • Preventie
  • Toetskalender
  • Interventies
  • Organisatie

In de inleiding wordt het algemene kader van dit protocol geschetst. Het geeft niet alleen de visie van de auteurs weer in verband met de functionele geletterdheid, maar maakt ook de vergelijking met de protocollen voor het reguliere onderwijs. Het pedagogisch-didactisch kader is dat van het leren in een betekenisvolle context, het sociaal en het strategisch leren. Daarbij wordt er een evenwicht gezocht tussen het instructief en constructief leren. De visie van Vygotski is hier nadrukkelijk bij aanwezig (Opbouwen van kennis is een sociaal proces - De zone van de naaste ontwikkeling - ...). Over alles heen is een stimulerende leesomgeving op school én thuis belangrijk.

Het tweede hoofdstuk vergelijkt eerst het leesproces bij zwakke lezers met dat van de normale lezers.  Daarna gaat het dieper in op dyslexie en de belemmeringen en stoornissen die er bij kunnen aanwezig zijn. Het heeft expliciet aandacht voor de sociale en emotionele gevolgen van de leerstoornis. Tot slot komt ook het thema van de meertaligheid en dyslexie aan bod.

Het derde hoofdstuk wil de lezer leren hoe men lees- en spellingproblemen bij kleuters kan voorkomen. Eerst worden de 7 tussendoelen beginnende geletterdheid die van belang zijn voor de kleuterperiode verduidelijkt. Het gaat om: 

  • Boekoriëntatie
  • Verhaalbegrip
  • Functies van geschreven taal
  • Relatie tussen gesproken en geschreven taal
  • Taalbewustzijn
  • Alfabetisch principe
  • Functioneel 'schrijven' en 'lezen'

Daarna introduceert het een stappenplan dat moet toelaten systematisch te werken en hiaten in de ontwikkeling van de beginnende geletterdheid snel te onderkennen en te signaleren. Tot slot krijgen de interventies voor kleuters die problemen hebben met het taalbewustzijn en/of het alfabetisch principe de aandacht. Dat er telkens een goede overdracht moet zijn tussen de leerkrachten van opeenvolgende jaren wordt extra benadrukt.

De toetskalenders voor het technisch lezen worden volledig uit de doeken gedaan in het vierde hoofdstuk. Daarbij is er ook gedacht aan de leerlingen die tussendoor de overgang van het reguliere naar het speciale basisonderwijs maken. Elke fase uit het stappenplan wordt uitvoerig besproken en toegelicht.

Op basis van de resultaten uit de verschillende meetmomenten zal men bij een aantal kinderen moeten ingrijpen. Hoe die tussenkomsten vorm (kunnen) krijgen, is de kern van het vijfde hoofdstuk. Naast het beschrijven van enkele vormen van begeleiding en de uitleg over de algemene pedagogische aandachtspunten bij de interventies worden de interventies bij het aanvankelijk lezen en het voortgezet technisch lezen in afzonderlijke delen beschreven. Tot slot staat dit hoofdstuk stil bij enkele remediërende softwarepakketten.

Het zesde en laatste hoofdstuk leert hoe de leerkrachten de extra hulp die leerlingen met speciale onderwijsbehoeften hebben in hun klas kunnen organiseren. Hierbij is er aandacht voor de organisatie van de klas, de rol die de ouders kunnen spelen en het samenwerken met schoolexterne hulpverleners.

Ook dit protocol geeft heel wat relevante tips, procedures en achtergronden die leerkrachten kunnen aan het denken zetten over en ondersteunen bij het aanpakken van lees- en spellingproblemen in het speciaal basisonderwijs. De procedures die beschreven worden kunnen onmiddellijk uitgevoerd worden of leerkrachten inspireren om over te gaan tot een soortgelijke procedure, meer bepaald in die concrete gevallen waar de leesmethode anders is dan deze die het protocol worden aangehaald (Veilig Leren Lezen, Leeslijn/Leesweg).

afdrukken

2008.08.09

Puzzel je slim

Auteur: Marc Boone
Titel: Puzzel je slim. Een praktijkboek voor een zorgbrede aanpak bij kleuters
Uitgeverij: Plantyn
Plaats: Mechelen
Jaar: 2005
Pagina's: 84
ISBN-13: 978-90-301-8592-5
Prijs:  17,50

puzzel je slimHet puzzelen neemt een belangrijke plaats in tijdens de kleuterleeftijd. Dit is het uitgangspunt van dit boek. Tegelijk is er nog geen boek verschenen dat alle kennis rond puzzelsoorten en puzzeldidactiek verenigd. Marc Boone wil in dit praktijkboek de puzzels en het puzzelen in een brede context benaderen. Centraal hierbij staat de directe bruikbaarheid in de praktijk en het toevoegen van een meerwaarde aan de zorgbrede aanpak van kleuters en leerlingen uit het buitengewoon basisonderwijs. In het kort komt de inhoud van het boek hierop neer:

  • het aanreiken van een gevarieerd puzzelaanbod
  • het aanreiken van een geleidelijke aanpak in het leren oplossen van puzzels
  • het geven van suggesties in verband met observatie en evaluatie
  • het geven van suggesties in verband met de differentiatie en het remediëren
  • de horizontale en verticale samenhang bij het puzzelen

Dit alles en nog meer wordt beschreven in het eerste hoofdstuk van het boek. In het tweede hoofdstuk gaat de auteur dieper in op wat puzzelen nu eigenlijk is en welke puzzelvarianten je kunt onderscheiden. Daarbij legt hij duidelijk het raakvlak bloot tussen het puzzelen enerzijds en het associatie- en constructiespel anderzijds. Het derde hoofdstuk gaat kort over de doelen die men bij het puzzelen kan vooropstellen (leergebiedoverstijgend en specifiek). Het vierde hoofdstuk gaat dieper in op de organisatie van een heuse puzzelhoek in de klas.

Het vijfde hoofdstuk gaat uitgebreider in op het leren puzzelen, de puzzelinitiatie: hoe breng je het puzzelen aan bij jongste kleuters, bij in hun ontwikkeling bedreigde kleuters en bij kinderen uit het buitengewoon onderwijs. Hierbij staan de volgende punten centraal:

  • een puzzelopdracht begrijpen
  • de relatie zien tussen een deel en het geheel

Het zesde hoofdstuk gaat daar verder op in en gaat over de strategieën bij het puzzelen. Centraal staat de vraag hoe je bij probleemkinderen de lukrake pogingen kunt vervangen door doelgerichte acties. Onderdelen die aan bod komen zijn de voorbereiding, de systematiek en de zelfcontrole. Zoals zoveel dingen moet je puzzelen geleidelijk aanleren. Gradatie in moeilijkheidsgraad is nodig. Deze moeilijkheidsgraad wordt niet alleen bepaald door het aantal puzzelstukken, maar ook door andere aspecten. Dat lees je in het zevende deel.

De hoofdstukken 8 en 9 gaan over de puzzels in de kleuterschool: welke zijn er allemaal aanwezig en welke komen er in welke kleuterklas aan bod. Deze inventaris en de afspraken erbij zijn noodzakelijk om doorheen de kleuterschool een gradatie te kunnen waarborgen. Een onontbeerlijke afspraak is zeker de aanduiding van de moeilijkheidsgraad voor de kleuters: zij moeten zelf hun puzzelniveau kennen en kunnen ervaren.

Het tiende hoofdstuk geeft praktische informatie over het observeren en evalueren bij het puzzelen. Door een goede registratie behoud je als kleuterleidster het overzicht over welke kleuter welke puzzel op welke manier heeft gedaan en (zeker bij de oudste kleuters) hoe hij die zelf heeft ervaren. Het elfde hoofdstuk vult dit aan met suggesties in verband met de differentiatie en het remediëren. Het twaalfde hoofdstuk toont aan hoe kleuters zelf puzzels kunnen aanmaken en wat daar de waarde van is. Het dertiende hoofdstuk geeft een uitgebreide en geannoteerde puzzelinventaris.

afdrukken

18:13 Gepost door Lieven Coppens in Plantyn | Permalink | Tags: zorg, kleuters, kleuteronderwijs, didactiek, puzzels, puzzelen, ontwikkelingsbedreigd, buitengewoon onderwijs | |

2008.07.25

Aletta en de giraf

Auteur: Martine Delfos
Titel: Aletta en de giraf. Van gewoon naar speciaal of buitengewoon onderwijs.
Uitgeverij: Ninõ
Plaats: Amsterdam
Jaar: 2008
Pagina's: 40
ISBN-13: 978-90-8560-533-1
Prijs: € 12,50

aletta en de girafDit (voor-)leesboekje hoort thuis in de zorgbibliotheek van elke basisschool.  Het geeft antwoord op de vraag van ouders en leerkrachten hoe ze een kind moeten vertellen dat het naar een school voor buitengewoon of speciaal onderwijs moet. Of op de vraag hoe je een kind helpt om dit te verwerken. Het kan ook gebruikt worden in de klas om aan de klasgenootjes te vertellen waarom deze overstap beter is.

Martine Delfos schreef dit voorleesverhaal in een voor kinderen heel rechtstreekse en eenvoudige stijl. Ze verwoordt de gevoelens en de moeilijkheden van een kind dat op school niet mee kan op een herkenbare manier.

Tegelijk krijgen ook de ouders die het boekje voorlezen meer zicht op de belevingswereld van hun kind. Onderaan rechts op elke bladzijde staat er immers een korte toelichting op maat van de volwassene. Ook voor leerkrachten die niet vertrouwd zijn met het overgaan naar het buitengewoon of speciaal onderwijs kunnen hier één en ander uit leren.

De boeken van uitgeverij Ninõ worden in België verdeeld door uitgeverij Epo.

afdrukken

12:45 Gepost door Lieven Coppens in Niño, SWP | Permalink | Tags: buitengewoon onderwijs, speciaal onderwijs, zorg, ouders | |

2008.02.23

Leerzorg in het onderwijs

Auteur: Wim Van Rompu, Theo Mardulier, Christine De Coninck, Luc Van Beeumen & Els Exter
Titel: Leerzorg in het onderwijs
Uitgeverij: Garant
Plaats: Antwerpen/Apeldoorn
Jaar: 2007
Pagina's: 169
ISBN-13: 978-90-441-2219-0
Prijs: € 17,00

leerzorg in het onderwijsHet boek Leerzorg in het onderwijs werd geschreven door verschillende mensen die allemaal van dicht bij betrokken zijn bij het nieuwe leerzorgkader zoals dat door de Vlaamse minister van onderwijs wordt uitgetekend. In dit boek leggen zij uit hoe dit kader kan gerealiseerd worden. Dit boek is zeker geen overbodige luxe, aangezien het voorstel van de minister de afgelopen tijd heel wat stof heeft doen opwaaien en heel wat belangengroepen een nieuwe, soms heftige dynamiek heeft gegeven.

Het eerste deel is helemaal gewijd aan het ontstaan en de eigenheid van de leerzorggedachte. In het eerste hoofdstuk schetsen de auteurs de evolutie in het beleid. Beginnend bij de beleidsmaatregelen uit de jaren 90, het onderwijsvoorrangsbeleid (1991), het project  Zorgverbreding (1994), het Vlor-advies over Inclusief Onderwijs (1998) en het project Secundaire scholen met bijzondere noden (2000) komen ze uit bij de stempels die minister Vanderpoorten op het onderwijs zette in 2002, namelijk het GOK-decreet en haar nota Maatwerk in samenspraak. Al deze beleidsmomenten worden op een objectieve manier nog eens beknopt maar duidelijk voor de geest gehaald. Het laatste stukje beschrijft hoe het huidige voorstel, vertrekkende vanuit het Vlor-memorandum Krachtlijnen voor een toekomstig onderwijsbeleid geleidelijk aan vorm kreeg. Het tweede hoofdstuk bespreekt de resultaten van 11 relevante en representatieve onderzoeken tussen 1997 en nu. Centraal bij het bespreken van deze onderzoeken staan de volgende vragen:

  1. Welke concrete hulpvragen leven bij leerkrachten van het gewoon onderwijs inzake omgaan met en lesgeven aan leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften.
  2. Hoe kunnen initiële opleiding en navorming geoptimaliseerd worden om de handelingsbekwaamheid bij leerkrachten te verhogen?
  3. In welke mate heeft de wijze waarop de school voor gewoon onderwijs georganiseerd is invloed op het onderwijs aan jongeren met specifieke onderwijsbehoeften.
  4. Is differentiatie in het buitengewoon onderwijs een algemeen gegeven?
  5. In welke mate heeft de wijze waarop de school voor buitengewoon onderwijs georganiseerd is een effect op haar aanbod en bijgevolg populatie?
  6. Worden scholen voor buitengewoon onderwijs nog steeds met dezelfde problematieken geconfronteerd als in de jaren zeventig of is er een evolutie en welke elementen spelen daarin een rol?
  7. Wat is de impact van de houding van leerkrachten tegenover leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften.
  8. Wat kan de inbreng zijn van leerkrachten van het buitengewoon onderwijs in het veranderen van attitude van leerkrachten in het gewoon onderwijs en het verhogen van hun handelingsbekwaamheid.
  9. Welke positie nemen begeleiders vanuit het buitengewoon onderwijs t.a.v. hun collega's in het gewoon onderwijs in?
  10. Wat zijn de effecten van de wijze van financiering van de bijkomende ondersteuning vanuit het buitengewoon onderwijs?
  11. Wat is het effect van een meer inclusief onderwijs op de leerling met specifieke onderwijsbehoeften en op andere leerlingen van zijn groep?
  12. Zorgen leerlingen die voldoen aan de GOK-indicatoren van het gewoon onderwijs voor extra belasting in het buitengewoon onderwijs?
  13. Welk effect heeft de hedendaagse visie op handicaps, als zijnde een afstemmingsprobleem tussen de mens en zijn omgeving op de diagnostiek en de oriëntering van jongeren met specifieke onderwijsbehoeften?
  14. Staat de huidige typologie onder druk?
  15. Wat kan de rol zijn van de CLB's in het veranderen van de attitude van (klas)leerkrachten in het gewoon onderwijs en het verhogen van hun handelingsbekwaamheid? Welke rol spelen CLB's ten aanzien van de diverse actoren?
  16. Op welke manier kunnen de rol en de positie van de ouders gerespecteerd worden?
  17. Wat is de rol van de directeur?
  18. Is er behoefte aan meer en ander personeel in het gewoon onderwijs?
  19. Wat is de rol en de positie van de belendende sectoren, voornamelijk Welzijn?

De antwoorden op deze vragen die in de diverse onderzoeken gevonden worden zijn zeer verhelderend en vormen een zeer stevig fundament voor het leerzorgkader zoals het nu voor ons ligt. In het derde hoofdstuk wordt er dan gekeken hoe leerzorg in de ons omringende landen vorm gekregen heeft. Hierbij blijft men langer stilstaan bij de situatie in Nederland en Spanje.

Het tweede deel geeft een kwantitatief beeld van de zorg in het gewone en buitengewone Vlaamse onderwijs. De harde cijfers worden in het eerste hoofdstuk van dit deel gepresenteerd. In het tweede hoofdstuk wordt er nader ingegaan op de vaststellingen en knelpunten die aan de basis liggen van het huidige voorstel voor een nieuw leerzorgkader. Deze zijn:

  1. Het spanningsveld tussen al dan niet afzonderlijke scholen voor buitengewoon onderwijs.
  2. De knelpunten in het huidige systeem van 8 types van bijzonder onderwijs.
  3. De knelpunten in de verwijspraktijk naar het buitengewoon onderwijs.
  4. De knelpunten in het geïntegreerd onderwijs.
  5. De kloof in het ondersteuningsaanbod.
  6. De onevenwichtige spreiding van het buitengewoon onderwijs.

Het derde deel van  het boek geeft dan een verduidelijking van de nieuwe leerzorgmatrix. Het vierde deel sluit daar zeer nauw op aan en gaat dieper in op een aantal deelprocessen van de leerzorg.

Dit boek brengt alvast heel wat verduidelijking rond het nieuwe leerzorgkader. Het toont aan dat het op een stevige manier verankerd is in het onderwijsonderzoek van de laatste jaren en niet zomaar een vrijblijvende denkoefening is geweest van een aantal beleidsmensen die het nu eens "anders" wilden proberen. Als lezer heb je na het lezen van dit boek alvast niet de indruk dat je een apologetiek gelezen hebt.

De discussie over het leerzorgkader is nog lang niet voorbij. Hierdoor vindt men in dit boek zeker niet op alle vragen een antwoord. Voor wie echter een duidelijk en eerder volledig zicht wil hebben op de huidige stand van zaken is dit boek evenwel onmisbaar.

afdrukken