2008.06.14
Opvoeden in de klas
| Auteur: | Herman Van den Broeck |
| Titel: | Opvoeden in de klas. Wegwijzer voor leerkrachten. |
| Uitgeverij: | LannooCampus |
| Plaats: | Leuven |
| Jaar: | 2006 |
| Pagina's: | 240 |
| ISBN-13: | 978-90-209-6544-5 |
| Prijs: | € 19,95 |
Ook al is het al meer dan 10 jaar op de markt, Opvoeden in de klas. Wegwijzer voor leerkrachten blijft een brandend actueel boek. Niet in het minst omdat ouders hun opvoedingstaak in stijgende mate blijven delen met de school. Ook omdat de auteur zijn boek blijft bijstellen in het licht van de nieuwe wetenschappelijke bevindingen op dat vlak.
In het eerste hoofdstuk gaat de auteur dieper in op het leerkracht zijn als beroep. Hij duidt op een heldere manier dat een leerkracht iemand is die op lange termijn werkt. Niet alleen op het cognitieve vlak, maar ook op het vlak van de sociale en emotionele ontwikkeling. Dat daarbij zijn werkmateriaal, de leerlingen, van jaar tot jaar verandert, hoeft geen betoog. Leerlingen zijn immers altijd de kinderen van hun tijd. En dat deze tijden tegenwoordig heel snel veranderen, is voor iedereen duidelijk. Dat sommige kinderen met deze tijden moeilijkheden hebben, is vanzelfsprekend. Voor hen kan de leerkracht dan ook een ankerpunt en beschermende persoon zijn. En in deze functie wordt hij soms vogelvrij verklaard...
Het tweede hoofdstuk gaat dieper in op de communicatieprincipes als basis voor de interactie in de klas. Hierbij gaat de auteur uit van het principe dat alle gedrag communicatie is. Hij benadert dit vanuit vier invalshoeken:
- de inhoud van de boodschap
- de relatie tussen zender en ontvanger
- de perceptie van de boodschap
- de nood aan waarderen en gewaardeerd te worden
Het derde hoofdstuk sluit dicht aan bij het vorige en gaat over communicatietechnieken. Het uitgangspunt hierbij is dat een communicatietechniek slechts goed is als de bedoeling ervan ook overkomt bij de ontvanger. Deze communicatie heeft altijd vier kanten:
- Wat ik denk en voel (de binnenkant).
- Wat ik daarmee doe (de buitenkant).
- Hoe dat overkomt bij de andere (de overkant).
- Wat we daar samen mee doen (de synergiekant).
De auteur reikt tal van mogelijke technieken aan en geeft daarbij een zeer belangrijke tip: Probeer ze niet allemaal tegelijkertijd!!!
Het vierde hoofdstuk gaat dieper in op een bijzondere vorm van communicatie: feedback. Feedback is een noodzakelijke voorwaarde om te kunnen leren. Hoe je die als leerkracht kunt (moet geven) wordt hier uitvoerig toegelicht.
Het volgende hoofdstuk gaat over negatief gedrag in de klas en hoe je daar als leerkracht op een assertieve en constructieve manier kunt mee omgaan. Wat is streng? Wanneer is iets een probleem? Dit zijn enkele van de vragen die aan bod komen. Soms moet er toch gestraft worden. Hoe je dat kunt doen, lees je in het zesde hoofdstuk. Hoe dat je het wel? Wat doe je beter niet? Welke varianten zijn er? De auteur blijft hier zeer concreet bij stil staan.
Het zevende hoofdstuk is helemaal gewijd aan pesten op school. Het fenomeen van het pesten wordt eerst toegelicht. Daarna is er aandacht voor de mogelijke interventies.
In het achtste en negende hoofdstuk gaat de auteur dieper in op de variëteit die er aanwezig is in de klas. Variëteit in interacties maar ook variëteit in denkstijlen. Deze variëteit past de auteur niet alleen toe op de leerlingen, maar ook op de leerkrachten.
Elke leerling wordt dagelijks geconfronteerd met de emoties van zijn leerlingen. Hoe je daar op een positieve manier kunt mee omgaan is de kern van het laatste hoofdstuk. Aan de hand van twee "sleutels" maakt de auteur duidelijk wat het verschil is tussen een positieve en een negatieve manier om met emoties om te gaan.
Dit boek slaagt er in op een eerder beknopte manier het thema van opvoeden in de klas vrij volledig te benaderen. Dat de auteur daarbij voortdurend aandacht heeft voor concrete voorbeelden, resultaten uit wetenschappelijk onderzoek en concrete denkopdrachten voor de lezer maakt het tot een zeer waardevol naslagwerk voor leerkrachten uit zowel het basis- als het secundair onderwijs.
14:17 Gepost door Lieven Coppens in LannooCampus | Permalink | Email dit
| Tags: straffen, opvoeding, communicatie, belonen, feedback, diversiteit, pesten, gedrag, klasgedrag |
|
2008.03.16
GOKken op de toekomst
| Auteur: | Jos Cré (red.) |
| Titel: | GOKken op de toekomst.Het GelijkeOnderwijsKansenbeleid in Vlaanderen. |
| Uitgeverij: | Plantyn |
| Plaats: | Mechelen |
| Jaar: | 2006 |
| Pagina's: | 201 |
| ISBN-13: | 978-90-301-9045-5 |
| Prijs: | € 23,00 |
In Vlaanderen is er een hoge correlatie tussen de slaagkansen van een kind op school en de scholingsgraad van zijn ouders of de socio-economische status van zijn gezin. Met andere woorden: veel kinderen van kansarme, laaggeschoolde ouders vallen op school uit de boot. Dit geldt voor zowel de kansarme kinderen van allochtone afkomst als voor de autochtone kansarme kinderen en jongeren. Het Vlaamse onderwijsbeleid is zich hier meer en meer mee gaan bezighouden. Aanvankelijk gebeurde dit via het onderwijsvoorrangsbeleid, maar sinds 2002 via het beleid voor Gelijke OnderwijsKansen (GOK-beleid). Het boek GOKken op de toekomst brengt dit GOK-beleid, en meer in het bijzonder het geïntegreerd ondersteuningsbeleid, beter in beeld.
Het eerste van de vier delen van het boek situeert het GOK-beleid. Steven Groenez gaat eerst dieper in op de omvang, oorzaken en gevolgen van de ongelijkheid op school aan de hand van de gegevens uit het Cijferboek sociale ongelijkheid in het Vlaamse onderwijs. Hij toont aan dat deze ongelijkheid al van in het kleuteronderwijs aanwezig is doordat kleuters van specifieke bevolkingsgroepen later starten in het kleuteronderwijs en een grotere kans hebben om een jaar langer in het kleuteronderwijs te blijven. In het basisonderwijs uit deze ongelijkheid zich dan vooral in de schoolse vertraging, terwijl in het secundair en hoger onderwijs deze ongelijkheid zich vertaalt naar de studiekeuze. Patrice Caremans vervolgt dit eerste deel met een beschrijving van het zorgbeleid van de Vlaamse overheid dat in 1991 startte met het onderwijsvoorrangsbeleid (OVB), in 1993 aangevuld werd met het Project zorgverbreding voor de basisscholen en in 2000 met het project Bijzondere noden voor secundaire scholen. Deze bijdrage wordt afgesloten met een uitgebreide beschrijving van het GOK-beleid.
In het tweede deel worden er twee visies in verband met GOK uiteengezet. Jos Cré en Luc Driesmans stellen in hun hoofdstuk eerst het probleem van de ongelijke kansen en sociale uitsluiting scherp. Aan de hand van cijfermateriaal tonen ze aan dat kinderen en jongeren uit sociaal zwakkere socio-economische milieus gemiddeld minder goed presteren op school en daardoor ook hun verdere toekomst negatief beladen. In deze groep bakenen ze drie categorieën af: kinderen van allochtone afkomst, kansarme kinderen en kinderen met stoornissen en problemen. Bij deze laatste groep maken ze een belangrijke bedenking. Bepaalde kinderen uit de midden- of hogere klassen krijgen ook bepaalde kansen niet, bijvoorbeeld in het geval van kinderen met drukbezette ouders. Hoewel zij ook recht hebben op ondersteuning, mag men ze niet bestempelen als kansarm. De auteurs gaan in dit deel verder in op de oorzaken van de kansarmoede, zowel binnen als buiten de school. Tot slot onderzoeken ze wat er kan gebeuren - en al gebeurt - om dit probleem op te lossen. Deze oplossingen liggen zowel in de onderwijsvernieuwing als in de ondersteuning van de kansarme gezinnen. Een korte evaluatie van het GOK-decreet sluit dit stuk af. Als aanvulling op Jos Cré en Luc Driesmans geven Gerda Bruneel en Erna Janssens hun visie op de manier waarop GOK kan bijdragen tot een schoolbeleid. Dit stuk is en kort en laat zich moeilijk samenvatten, maar moet zeker door iedereen gelezen worden.
Het derde deel bevat drie uitgebreide praktijkvoorbeelden. In een eerste voorbeeld toont Kris Van den Branden aan hoe men een taalbeleid kan aanwenden om tot gelijke onderwijskansen te komen. Vertrekkend vanuit een brede evaluatie van de beginsituatie waarbij men niet alleen rekening houdt met objectieve testresultaten maar ook met de subjectieve perceptie van alle betrokkenen, dus ook van de ouders en de kinderen, moet men in kaart brengen wat de sterke en zwakke punten zijn van de school op het vlak van een taalbeleid. Op basis hiervan is het dan belangrijk dat men een procesmatig taalbeleid opstelt, waarbij men uitgaat van prioriteiten en secundaire processen. Ides Nicaise en Lieve Ruelens hebben het in hun bijdrage over de lokale overlegplatforms. Volgens hen zal het een zaak zijn om de verschillende partners te blijven motiveren door brede-schoolinitiatieven. Waarom? Omdat er een aantal valkuilen zijn die van het lokaal overlegplatform geen echt netwerk maken, terwijl een breed netwerk nochtans een krachtig instrument kan zijn. Tot slot van het derde deel geeft Herman Siebens een praktijkvoorbeeld vanuit het KTA van Kapellen.
Het vierde en laatste deel gaat dieper in op verschillende aspecten van armoede. Jan Vanhee en Dirk Willems hebben het in hun bijdrage over het belang van het ondersteunen van kinderen, ouders en leerkrachten. Centraal daarbij staan de antwoorden op de vragen wat ouders voor hun kind en voor zichzelf verwachten en hoe de scholen daar een antwoord kunnen op geven. Die antwoorden hebben dan meteen ook te maken met de ondersteuning die leerlingen kunnen (moeten) krijgen. Brie De Veirman en Guido Totté hebben het in de laatste bijdrage tot dit blok over de relatie tussen armoede en onderwijs. Aan de hand van verschillende invalshoeken tonen ze aan waarom deze relatie niet altijd gemakkelijk verloopt.
Dit boek geeft een goed en volledig beeld van het GOK-beleid. De lezer maakt relatief snel kennis met het geheel. Hij heeft weinig of geen voorkennis nodig om het te begrijpen. Dit maakt het boek zeer toegankelijk. Na het lezen van het boek beseft men dat het GOK-beleid heel wat kansen biedt, maar zich niet zo eenvoudig laat realiseren. Daarvoor zijn er te veel partners bij betrokken met elk hun verwachtingen, sterke en minder sterke kanten. Het vierde deel is verplichte literatuur voor alle leerkrachten. Het leert hen hoe kansarme mensen tegen de wereld in het algemeen en de school in het bijzonder aankijken. Communicatie en wederzijds respect zijn zeer belangrijk. Alleen zo komen leerkrachten tot een constructieve dialoog met de ouders van kansarme kinderen.
15:23 Gepost door Lieven Coppens in Plantyn | Permalink | Email dit
| Tags: gok, kansarmoede, onderwijskansen, zorg, zorgbeleid, diversiteit |
|
2007.10.15
Zorgbeleid in het basisonderwijs
| Auteur: | Luc Linthout (Red.) |
| Titel: | Zorgbeleid in het basisonderwijs |
| Uitgeverij: | LannooCampus |
| Plaats: | Leuven |
| Jaar: | 2006 |
| Pagina's: | 272 |
| ISBN-13: | 978-90-209-6537-7 |
| Prijs: | € 24,95 |
Met het boek Zorgbeleid in het basisonderwijs heb je meteen een nuttig naslagwerk in handen als je als basisschool jouw zorgbeleid op een beleidsmatige manier wil aanpakken. Het is tegelijk ook een praktijkboek geworden.
Het boek bestaat uit vier hoofdstukken. Elk hoofdstuk bestaat uit een oriënterend en/of theoretisch gedeelte dat uitvoerig toegelicht en geïllustreerd wordt aan de hand van talrijke concrete bijlagen:
- Hoofdstuk 1: Van gelijke onderwijskansen tot totale zorg in de basisschool.
- Hoofdstuk 2: Werken aan sociaal-emotionele ontwikkeling.
- Hoofdstuk 3: Omgaan met diversiteit binnen taalvaardigheid in het basisonderwijs.
- Hoofdstuk 4: Optimaliseren van het multidisciplinair overleg en invoeren van het handelingsplan in de basisschool.
Het eerste hoofdstuk is het meest theoretische. Het geeft omstandig uitleg bij het GOK-decreet en schetst welke consequenties er voor het schoolteam en de individuele leerkrachten aan vast hangen. Dit gaat van het uitschrijven van een schoolvisie over het professionaliseren van de leerkrachten tot het introduceren van nieuwe werkmodellen zoals pro-actief werken en collegiale consultatie. Verder toont dit hoofdstuk aan dat het toekennen van een zorgbeleider aan elke school de nood aan een visie op zorg in het algemeen en een visie op de taak van de zorgbegeleider in het bijzonder noodzakelijk maakt. Het uittekenen van een zorgcontinuüm waarin iedere betrokkene zijn plaats krijgt, is daarbij een belangrijk onderdeel. Voordat dit hoofdstuk wordt afgesloten met een uitgebreid praktijkvoorbeeld wordt de taak van de zorgbegeleider op het niveau van de school, de leerkracht en het kind gedetailleerd uitgeschreven. Veertien uit de praktijk geplukte bijlagen illustreren het voorgestelde traject.
Het tweede hoofdstuk leert hoe de school prioritair kan werken aan de socio-emotionele ontwikkeling van haar leerlingen. De volgende aandachtspunten zijn hierbij zeer belangrijk:
- Het ondersteunen van de socio-emotionele ontwikkeling is geen vak op zich maar moet gerealiseerd worden doorheen alle leerstofgebieden.
- Het ondersteunen van de socio-emotionele ontwikkeling is een schoolgebeuren: er moet dan ook klasdoorbrekend gewerkt worden in heterogene groepen en men moet er zich van bewust zijn dat het niet beperkt kan blijven tot de leerlingen alleen. Alle deelnemers aan het schoolgebeuren hebben hier een taak. In die zin worden er dan ook belangrijke bruggen gelegd.
- Het ondersteunen van de socio-emotionele ontwikkeling mag niet alleen gebeuren als er problemen zijn. Ook als alles goed gaat, moet er rond gewerkt worden. Dit heeft een zeer grote preventieve waarde.
- Iedereen werkt het beste rond één en hetzelfde thema in verband met de socio-emotionele ontwikkeling. Enkel door hierover veelvuldig van gedachten te wisselen met alle deelnemers komt men tot een duurzaam project.
- Werken rond de socio-emotionele ontwikkeling is een teamgebeuren: alle leerkrachten moeten bereid zijn om dit aan te pakken. Ook hier geldt dat veelvuldig overleg en frequente uitwisseling de garantie is voor een duurzaam schoolproject.
Verder legt het hoofdstuk ook de nadruk op het feit dat de stijl van de leerkracht bepaalt of er al dan niet rond de socio-emotionele ontwikkeling kan gewerkt worden. Het benadrukt eveneens dat de socio-emotionele ontwikkeling van een kind kan gebruikt worden om ouders meer bij het schoolgebeuren te betrekken.
Het derde hoofdstuk handelt over het aanpakken van de verschillen in taalvaardigheid bij de leerlingen. Het gaat dieper in op de verschillen tussen schooltaal en thuistaal. Daarnaast wordt benadrukt dat taalproblemen zoveel mogelijk in de klas moeten worden opgelost. Dit houdt in dat de leerkracht over de nodige competenties zal moeten beschikken. Maar ook dat de kinderen in deze klas willen en kunnen leren. Dit heeft alles te maken met een gunstig klasklimaat waarin de leerkracht meer begeleider dan docent is. Een taakgerichte aanpak in de kleuter- en de lagere school waarbij de nadruk ligt op samenwerken, zal daarbij het hoogste leerrendement hebben. Tot slot geeft het hoofdstuk nog concrete voorbeelden van het testen van de taalvaardigheid van de leerlingen en het aanpakken van taalproblemen.
Het vierde en laatste hoofdstuk toont hoe het mdo binnen dit zorgbeleid zijn belangrijke plaats behoudt. Het opstellen van een groepswerkplan of een individueel handelingsplan wordt hier praktisch uitgelegd.
Zorgbeleid in het basisonderwijs is geen boek dat je in één ruk uitleest. Het is een werk dat je scannend leest zodat je weet wat er in staat, om er daarna naar terug te grijpen als je meer uitleg of concrete voorbeelden nodig hebt.
21:24 Gepost door Lieven Coppens in LannooCampus | Permalink | Email dit
| Tags: diversiteit, emotionele ontwikkeling, gok, kansarmoede, mdo, onderwijskansen, sociale ontwikkeling, taalvaardigheid, zorg, zorgbeleid |
|










