2010.10.24

Beter leren lezen

Auteur: Raf Feys & Pieter Van Biervliet
Titel: Beter leren lezen. De directe systeemmethodiek.
Uitgeverij: Acco
Plaats: Leuven/Den Haag
Jaar: 2010
Pagina's: 208
ISBN-13: 978-90-334-7939-7
Prijs: € 19,50

beter leren lezen - de directe systeemmethodiekWe keren even terug in de tijd. Het schooljaar 1968-1969. In een graadsklas van een Merelbeeks wijkschooltje dreunen kinderen uit het eerste leerjaar hun ‘leesles’ op:

in een paddestoel
niet groot
met een dakje wit en rood
zit een ventje koek te bakken
het heet wip
zijn maatje tom
is al hout aan het hakken
als ze moe zijn
kom eens zien
dan eet elk ventje w
el voor tien

Dit boekje, geschreven in de tijd toen de paddenstoelen nog genoeg hadden aan een -n, was voor zover ik kon nagaan van de hand van Cor Ria Leeman. Deze Vlaamse onderwijzer had ook een aantal lesboekjes op zijn naam staan. Van deze methode weet ik – want ik zat inderdaad in dat klasje - nog vaag dat ze heel wat structuurrijtjes had waarbij de in te oefenen klank rood gedrukt was. Ook herinner ik me de wasdraad die diagonaal door de klas was gehangen waaraan kaartjes hingen met tekeningen en woordjes waarvan de te kennen klank in het rood geschreven was. Vaag hoor ik nog het gedreun van de eersteklassertjes: muur, uu; huis, ui; hout, ou… Deze kaartjes hing juffrouw Annemarie geleidelijk aan op de wasdraad. Mijn donkerste herinnering aan het leren lezen in het eerste leerjaar? Ik hoorde het verschil niet tussen de ui van huis en de ou van hout… Het feit dat ik na 42 jaar het eerste leeslesje nog uit het hoofd ken, zegt veel over de effectiviteit (of is het impact?) van de leesmethode van toen.

In het boek Beter leren lezen stellen Raf Feys (laat ons zeggen: de Vlaamse Kees Vernooy) en Pieter Van Biervliet hun directe systeemmethodiek voor. Na al die jaren en andere leesmethodes is er nog steeds ruimte voor een nieuwe leesmethodiek. De directe systeemmethodiek is langzaam gerijpt op eiken vaten. Ik heb van beide auteurs artikels en cursussen in mijn bezit waarbinnen deze methodiek zich geleidelijk aan ontpopt. Dat we binnenkort een aantal leesmethodes mogen verwachten die gebaseerd zijn op deze directe systeemmethodiek, bewijst dat deze wel degelijk in een nood voorziet.

Hoe vernieuwend is deze methodiek? Hiervoor laat ik de auteurs aan het woord zoals ze het zelf schrijven in hun inleiding:

De directe systeemmethodiek is echter geen totaal nieuwe aanpak, geen nieuw wondermiddel, maar schatplichtig aan de ervaringswijsheid uit heden en verleden. We herwaarderen oude aanpakken waarmee de kinderen onder andere in de eerste helft van de twintigste eeuw leerden lezen. ‘Afkijken’ bij ervaren leerkrachten was ook een belangrijke inspiratiebron. Als lerarenopleiders kregen we hiertoe vaak de kans. De DSM-aanpak stemt ook overeen met (ortho)didactische stromingen van de voorbije jaren waarin gepleit wordt voor meer aandacht voor het automatiseren. Denk maar aan de publicaties van Wied Ruijssenaars van de Rijksuniversiteit Groningen en Wim Van den Broeck van de Vrije Universiteit Brussel. De DSM is ook in overeenstemming met recente wetenschappelijke studies en leesmodellen (blz.14-15)

Let wel: wie zegt dat de directe systeemmethodiek een eclectische methode is, gaat te kort door de bocht. Wie het boek van Feys en Van Biervliet leest, houdt er aan het eind het beeld van een coherente en uitgerijpte methode aan over.

In het eerste deel van het boek beschrijven de auteurs hoe de directe systeemmethodiek is ontstaan en waaraan ze schatplichtig is. Het doel van deze aanpak is de kinderen vanaf het eerste woord inzicht te geven in het systeem achter het letterschrift. De kinderen leren dus meteen echt lezen. Geleidelijk aan brengt de methode meer complexiteit in het leerproces. Complexiteit die zich uit in het stap voor stap introduceren van nieuwe leeselementen (letters, letterclusters en woorden). Essentieel hierbij is dat men maar iets nieuws aanbrengt nadat de voorgaande leer- en leesstof voldoende ingeoefend is en de transfer naar het langetermijngeheugen heeft gemaakt. De auteurs leggen doorheen het eerste deel uit welke bedoeling ze hebben gehad bij deze nieuwe methodiek en wat de basisprincipes ervan zijn. Deze zeven basisprincipes vormen dan ook de ruggengraat van dit deel. Interessant is ook het relaas van het onafhankelijke onderzoek dat in 2005 in verband met de directe systeemmethodiek is gevoerd.

In het tweede deel schrijven de auteurs een geannoteerde kroniek van de verschillende leesmethodes die doorheen de jaren de revue passeerden. Zo komen aan bod:

  • de spelmethodes;
  • de klankmethodes;
  • de normaalwoordenmethodes;
  • de analytisch-synthetische methodes;
  • de globale leesmethodieken;
  • de structuurmethodes.

De auteurs sommen in het laatste hoofdstuk van dit deel hun kritieken op de klassieke structuurmethodes op. Tegelijk tonen ze aan hoe de directe systeemmethodiek de tekorten van deze structuurmethodes probeert op te vangen.

In het derde deel van het boek werken de auteurs de visie achter de directe systeemmethodiek verder uit. Zoals iedereen wel begrijpt is dit deel verplichte literatuur voor iedereen die zich echt op de hoogte wil stellen van de essentie en het evidence-based karakter van deze methodiek.  Ik laat het hem dan ook zelf ontdekken.

Dit boek zou wel eens het Magnum Opus kunnen worden voor de toekomstige leesdidactiek in Vlaanderen.

afdrukken

16:51 Gepost door Lieven Coppens in Acco | Permalink | Email dit | Tags: didactiek, directe systeemmethodiek, geletterdheid, leesinstructie, leesstart, lezen, methodiek, taal | |

2010.08.29

VoorSprong - Spelenderwijs woorden leren

Auteur: Lienke van Dijk & Cobi Visser
Titel: VoorSprong - Spelenderwijs woorden leren op school en thuis
Website: CPS
Plaats: Amersfoort
Jaar: 2009
Pagina's: Activiteitenboek: 216
Ringkalender: 18
ISBN-13: 978-90-6508-614-3
Prijs: € 42,50

voorsprong - spelenderwijs woorden leren op school en thuisVoorSprong is een speelleerpakket. De Nederlandse Stichting voor landelijk onderwijs aan varende kleuters ontwikkelde deze methodiek waarbij ouders en school intensief samenwerken. De ouders geven hun kind les aan boord met behulp van het materiaal van de Stichting. Daarbij kunnen zij rekenen op een mentor voor de ondersteuning. Deze vorm van onderwijs werkt. Onderzoek wees dit uit.

Het pakket stimuleert de ontwikkeling van peuters door hun woordenschat uit te breiden. Dit gebeurt op een betekenisvolle manier door kernwoorden in een herkenbare en zinvolle context aan te bieden en aan te leren. Daarvoor creëert het een rijke leeromgeving. Ik citeer uit het activiteitenboek:

VoorSprong gaat uit van het principe van betekenisvol leren. Dit houdt in dat woorden in een herkenbare en zinvolle context worden aangeboden en aangeleerd. Zo wordt aangesloten bij het gegeven dat leren betekenis moet hebben, relevant en functioneel moet zijn. Uitgaan van betekenisvolle leersituaties en een rijke leeromgeving, maakt dat kinderen ook willen ontdekken en leren.
In VoorSprong worden kinderen op een volwaardige manier betrokken bij hun eigen leerproces. Ook dit gebeurt in levensechte situaties, passend bij hun eigen belevingswereld. Daarbij wordt ruimte geboden aan het gegeven dat situaties vanuit meerdere invalshoeken benaderd kunnen worden. Overleg, samenwerking en interactie krijgen in alle activiteiten daadwerkelijk gestalte, waarbij ook de reeds aanwezige kennis geïntegreerd wordt in de nieuwe leerstof (blz.216).

In het programma komen 8 thema’s aan bod. Aan elk thema wordt er vier weken gewerkt. Daarna volgt er telkens een vijfde “checkweek”. Hierin gaat men na of de kinderen zich de aangebrachte woordenschat eigen hebben gemaakt. De ringkalender bevat voor elk van deze thema’s een praatplaat voor de kinderen en de lijst met kernwoorden per thema. De kalender kan zo opgezet worden dat de peuter de praatplaat ziet en de ouder de kernwoordenkaart. De thema’s zijn:

  • ik
  • eten en drinken
  • gezond en ziek
  • dieren
  • boodschappen
  • op stap
  • feest
  • naar school

Elk thema begint als het ware met een didactisch moment voor de ouders. Hierin geven de auteurs op een eenvoudige wijze een stukje theoretische, pedagogische en/of didactische achtergrond. In gewone taal helpen ze hen op weg. Hierdoor overstijgt VoorSprong het “oefenen om te oefenen”.

Per thema vind je in het activiteitenboek 20 verschillende activiteiten. Elke activiteit is op dezelfde manier uitgewerkt:

  • Wat heb je nodig: Een overzicht van het benodigde materiaal en de aan te brengen woorden.
  • Wat kun je doen: Een duidelijke omschrijving van de activiteiten met concrete aanpaktips.
  • Samen praten: Een overzicht van de sleutelzinnen die in het spel moeten verwerkt worden met in een kader opnieuw een aantal aandachtspunten voor de begeleidende ouder.

Bij elk thema zijn er enkele noodzakelijke bijlagen en een woordenwijzer voor de evaluatie van de vijfde week. Hoe deze moet gebeuren, staat stap voor stap uitgelegd in het activiteitenboek. Belangrijk is dat elke woordenwijzer aangeeft hoeveel woorden de peuter effectief moet beheersen. Dit komt neer op minimaal 80% van de aangebrachte woorden. Soms is er extra materiaal nodig. Dat kun je vinden op de website Zelf les geven.

Gemaakt voor kinderen van binnenschippers, biedt dit programma heel wat perspectieven om zowel binnen als buiten de kleuterschool te gebruiken voor taalarme en/of taalzwakke kinderen. Het kan dus zeker ook gebruikt worden voor kinderen die het Nederlands niet als moedertaal hebben. De meerwaarde van het programma ligt in het feit dat het fonemisch bewustzijn van de kinderen enorm ontwikkeld wordt. Dit is zeer belangrijk om later met succes te leren lezen.

Voor de Vlaamse scholen die in de 2e en 3e kleuterklas al met de map Fonemisch bewustzijn van het CPS werken, geef ik graag nog een suggestie. VoorSprong is een ideaal pakket om ook in de eerste kleuterklas op een leuke manier aan taalstimulering te doen. Het is de extra investering meer dan waard. Dit materiaal beveel ik zeker aan voor de opleiding tot kleuterleerkracht!

De boeken van uitgeverij CPS worden in België verdeeld door uitgeverij Abimo.

afdrukken

2010.06.13

Jonge risicokinderen

Auteur: G.M. van der Aalsvoort & A.J.J.M. Ruijssenaars (red.)
Titel: Jonge risicokinderen. Achtergronden, onderkenning, aanpak en praktijk
Uitgeverij: Lemniscaat
Plaats: Rotterdam
Jaar: 2000
Pagina's: 192
ISBN-13: 978-90-5637-328-3
Prijs: € 27,50

jonge risicokinderen - achtergronden, onderkenning, aanpak en praktijkSommige boeken blijven verrassend actueel. Zelfs als ze tien jaar oud zijn. Dit is het geval met het boek Jonge risicokinderen. De redacteurs stellen in dit boek de wetenschappelijke kennis over jonge kinderen met een risicovolle ontwikkeling beschikbaar. Ze mochten daarvoor rekenen op auteurs die een autoriteit zijn op hun vakgebied, zoals Miriam Baltussen (KPC-groepNL), Adriana Bus (Universiteit LeidenNL), Paul Leseman (Universiteit van AmsterdamNL), Luc Stevens (Universiteit UtrechtNL) en Ludo Verhoeven (Katholieke Universiteit NijmegenNL).

In het eerste hoofdstuk, de algemene inleiding op het boek, beschrijft Geerdina "Diny" van der Aalsvoort (Hogeschool UtrechtNL) het ontstaan van jonge risicokinderen als afzonderlijke groep. Ze omschrijft deze doelgroep op basis van wetenschappelijk onderzoek en komt - niet onbelangrijk - tot een begripsafbakening. In het tweede hoofdstuk beschrijft ze de ontwikkeling van kinderen. Ze gaat eerst dieper in op de ontwikkeling van afzonderlijke ontwikkelingsgebieden, zoals:

  • de cognitieve ontwikkeling
  • de ontwikkeling van de taalvaardigheid
  • de emotionele ontwikkeling
  • de sociale ontwikkeling

Ze eindigt dit hoofdstuk met een woordje uitleg over het bio-ecologisch model dat de ontwikkeling van het kind benadert als een complexe, wederzijdse beïnvloeding van kenmerken van het kind en de omgeving. Het is dit kader dat de basis vormt voor de verdere hoofdstukken uit dit boek.

Het derde hoofdstuk over het opvoeden van jonge risicokinderen schreef Diny van der Aalsvoort samen met Luc Stevens. Na een beschrijving van opvoeding als maatschappelijk verschijnsel, waarin het transactionele model een voorname plaats inneemt, komen ze tot een driedeling van opvoeding:

  • opvoeding in het gezin
  • opvoeding in de kinderopvang
  • opvoeding op school

De auteurs leggen hier de term Problematische Opvoedingssituatie (POS) nog eens duidelijk uit. Daarna beschrijven ze de rol die de kinderopvang en de leerkracht op school in de opvoeding van kinderen spelen. Terwijl het stukje over de kinderopvang sterk geënt is op de Nederlandse situatie, kan men in Vlaanderen met het deel over de rol van de school bij de opvoeding van jonge (risicokinderen) wel veel doen.

Het vierde hoofdstuk schreef Diny van der Aalsvoort samen met Paul Leseman. Samen maken ze de inventaris op van de risicofactoren in de ontwikkeling van een kind. Zoals je dat vanuit het bio-ecologisch model kunt verwachten, maken ze daarbij onderscheid tussen risicovolle omgevingskenmerken en risicovolle kenmerken van het kind.

Hoe je omgaat met jonge risicokinderen bij een opvoedingsprobleem thuis, in de kinderopvang of op school beschrijft Diny van der Aalsvoort in het vijfde hoofdstuk. Hiervoor maakt ze gebruik van de diagnostische cyclus van De Bruyn en de behandelingscyclus van Ruijssenaars. Personen die vertrouwd zijn met handelingsgerichte diagnostiek en handelingsgericht samenwerken zullen zich beslist in dit hoofdstuk herkennen. Dit hoofdstuk legt meteen een cesuur in het boek: de volgende hoofdstukken richten zich elk op een specifieke risicosituatie: de taalontwikkeling bij kinderen die Nederlands niet als eerste taal leren (hoofdstuk 6), stagnaties in beginnend lezen (hoofdstuk 7) en stagnaties in beginnend rekenen (hoofdstuk 8). Ludo Verhoeven, Adriana Bus en Miriam Baltussen geven hierbij, elk op hun eigen manier, hun gefundeerde kijk op deze situatie en doen daarbij een aantal aanbevelingen voor de praktijk.

Een boek dat geschreven is door mensen die een autoriteit zijn op hun vakgebied, staat garant voor een sterke theoretische onderbouw. Als deze de theorie dan nog bevattelijk weergeven en ze weten aan te vullen met een reeks aanbevelingen voor de praktijk, dan heb je een naslagwerk in handen zoals er nog te weinig zijn. Warm aanbevolen!

afdrukken

23:54 Gepost door Lieven Coppens in Lemniscaat | Permalink | Email dit | Tags: lezen, taal, ouders, ontwikkeling, behandeling, rekenen, anderstaligen, zorg, taalontwikkeling, diagnostiek, leerprobleem, nt2, geletterdheid | |

2009.07.17

Tussendoelen beginnende geletterdheid

Auteur: Ludo Verhoeven & Cor Aarnoutse (red.)
Titel: Tussendoelen beginnende geletterdheid. Een leerlijn voor groep 1 tot en met 3.
Uitgeverij: Expertisecentrum Nederlands
Plaats: Nijmegen
Jaar: 2006 (achtste druk)
Pagina's: 104
ISBN-13: 978-90-77529-04-1
Prijs: Boek: € 18,- Cd-rom: € 22,-

tussendoelen beginnende geletterdheid - een leerlijn voor groep 1 tot en met 3Het Vlaamse kleuteronderwijs heeft welgeteld vier ontwikkelingsdoelen voor het domein Nederlands, 'Lezen'. Het zijn de volgende:

De kleuters ...

  • kunnen aan de hand van visueel materiaal een boodschap herscheppen;
  • kunnen door symbolen voorgestelde boodschappen in verband met concrete activiteiten begrijpen;
  • kunnen op materialen, in boeken, op uitgangsborden lettertekens onderscheiden van andere tekens;
  • zijn bereid spontaan en zelfstandig voor hen bestemde boeken en andere informatiebronnen in te kijken;

Deze worden in de leerplannen Nederlands van de onderscheiden Vlaamse onderwijsnetten eerder sum-mier overgenomen en verduidelijkt.

Een meer dan interessante aanvulling daarop zijn de Tussendoelen beginnende geletterdheid uit Nederland. Deze tussendoelen zijn bedoeld voor de groepen 1 tot en met 3 (de Vlaamse 2e en 3e kleuterklas en het eerste leerjaar).

Na een kort voorwoord wordt in het eerste hoofdstuk duidelijk gemaakt wat het doel is van dit boek, wat tussendoelen en een leerlijn zijn, welke gebruiksmogelijkheden deze leerlijn heeft en op welke uitgangspunten ze berust. Met andere woorden: het eerste hoofdstuk bevat het kader waartegen alle andere hoofdstukken van dit boek moeten geplaatst worden. Het geeft ook een eenduidige uitleg aan de gebruikte begrippen.

Het tweede hoofdstuk beschrijft de fase van de ontluikende geletterdheid. Deze situeert zich in Nederland in de voorschoolse periode, in Vlaanderen rond het einde van de eerste kleuterklas. De auteurs benadrukken hier het belang van de ervaringen die kinderen in deze periode opdoen in verband met het latere leren lezen en schrijven. Stimulering door de ouders, de aanwezigheid van boeken en van schrijfmaterialen zijn hierin zeer belangrijk. Maar de auteurs zien het ook ruimer, binnen de gehele taalontwikkeling: ook de mondelinge taalvaardigheid is zeer belangrijk. In dit hoofdstuk breken de schrijvers nadrukkelijk een lans voor het voorlezen.

Het derde en meest uitgebreide hoofdstuk bespreekt de tien Tussendoelen beginnende geletterdheid. Deze worden uitvoerig besproken en geïllustreerd met praktijkvoorbeelden. Hierdoor is alles voor de lezer zeer snel duidelijk. Elk tussendoel krijgt een eigen 'leerlijn' mee. Aan het eind van de bespreking van elk tussendoel wordt deze leerlijn in een kadertje samengevat. De tien tussendoelen zijn:

  • boekoriëntatie;
  • verhaalbegrip;
  • functies van geschreven taal;
  • relatie tussen gesproken en geschreven taal;
  • taalbewustzijn;
  • alfabetisch principe;
  • functioneel 'schrijven' en 'lezen';
  • technisch lezen en schrijven, start;
  • technisch lezen en schrijven, vervolg;
  • begrijpend lezen en schrijven.

In het vierde en laatste hoofdstuk wordt er bekeken op welke manier men de ontwikkeling van de beginnende geletterdheid kan stimuleren. De auteurs staan stil bij het scheppen van een geletterde leeromgeving en de mogelijke organisatievormen. Verder leggen ze ook het verband tussen de beginnende geletterdheid en de zorgverbreding en staan ze expliciet stil bij leerlingen met een vertraagde taalontwikkeling en bij de beginnende geletterdheid bij meertalige kinderen.

werken aan tussendoelen beginnende geletterdheidBij deze uitgave hoort ook een Cd-rom die een echte meerwaarde biedt. Deze bevat extra informatie over de tussendoelen en illustratieve filmpjes bij elke fase van de 'leerlijnen' van de verschillende tussendoelen. Hierdoor komt de inhoud tot leven. Een afzonderlijke verklarende begrippenlijst zorgt er voor dat er geen verkeerde interpretatie kan zijn van de inhoud van de tussendoelen. Voor scholen die aan de slag willen gaan zijn er een aantal instrumenten op de Cd-rom die hen moeten helpen om het taal-, lees- en schrijfonderwijs een nieuwe vorm te geven.

Een sterk inspirerend werk.

afdrukken

Tussendoelen gevorderde geletterdheid

Auteur: Cor Aarnoutse & Ludo Verhoeven (red.)
Titel: Tussendoelen gevorderde geletterdheid. Leerlijnen voor groep 4 tot en met 8.
Uitgeverij: Expertisecentrum Nederlands
Plaats: Nijmegen
Jaar: 2003 (derde gewijzigde druk)
Pagina's: 208
ISBN-13: 978-90-77529-02-7
Prijs: Boek: € 37,50 Cd-rom: € 25,-

tussendoelen gevorderde geletterdheid - leerlijnen voor groep 4 tot en met 8Zoals iedereen meteen door heeft, sluit dit boek naadloos aan op de Tussendoelen beginnende geletterdheid. Gevorderde geletterdheid, ook wel functionele geletterdheid genoemd, is de derde fase van wat geletterdheid inhoudt. Ze omvat de volgende deelcomponenten:

  • betrokkenheid: lees- en schrijfmotivatie;
  • (de)codeervaardigheid: technisch lezen en spellen;
  • tekstvaardigheid: technisch lezen en spellen;
  • strategische vaardigheid: informatieverwerving en kennisverwerving;
  • leeswoordenschat;
  • reflectie: functies en structuur van geschreven taal.

Deze deelcomponenten, die trouwens ook op een andere manier terug te vinden zijn in het Vlaamse leerplan, vormen de basis voor de verschillende leerlijnen uit dit boek.

Na een kort voorwoord wordt in het eerste hoofdstuk duidelijk gemaakt wat het doel is van dit boek, wat tussendoelen en leerlijnen zijn, welke gebruiksmogelijkheden deze leerlijnen hebben en op welke uitgangspunten ze berusten. Het enige opvallende verschil met het eerste hoofdstuk uit de Tussendoelen beginnende geletterdheid is de paragraaf over de balans tussen het leerling- en leerkrachtgestuurde leren. Het Expertisecentrum Nederlands neemt een duidelijk standpunt in:

Leerlingen zijn geen passieve ontvangers van informatie, maar bouwen hun eigen kennis op en ontwikkelen zelf strategieën. In een rijke, betekenisvolle leeromgeving gaan ze samen met leeftijdsgenoten op weg om hun wereld te ontdekken en te veroveren.

Onderwijzen is in deze visie op leren niet primair het overdragen van informatie, maar bestaat veel meer uit het creëren van zinvolle leersituaties en uit het begeleiden en sturen van leerlingen op hun ontdekkingstocht. Dit laatste betekent overigens niet dat er geen plaats is voor instructie, uitleg, voordoen en controle van de leerkracht.

De vraag of taalonderwijs leerling- of leerkrachtgestuurd moet zijn, veronderstelt dat of de leerling of de leraar bepalend is bij het leren van taal. In de visie van het Expertisecentrum Nederlands zijn de leerling en de leraar van even groot belang en is er sprake van een gedeelde verantwoordelijkheid. In een en dezelfde les kan de ene keer de leraar en de andere keer de leerling het initiatief nemen. We moeten voorkomen dat de leraar de enige initiatiefnemer is en voortdurend aan het woord is (blz.21).

Het tweede hoofdstuk zet, op basis van de deelcomponenten, de leerlijnen voor de gevorderde geletterdheid uit. Het zijn de volgende:

  • leerlijn 1: lees- en schrijfmotivatie;
  • leerlijn 2: technisch lezen;
  • leerlijn 3: spellen;
  • leerlijn 4: begrijpend lezen;
  • leerlijn 5: strategisch schrijven;
  • leerlijn 6: informatieverwerving;
  • leerlijn 7: leeswoordenschat;
  • leerlijn 8: reflectie op geschreven taal.

Tegelijk geeft het een concreet model aan voor de didactiek van de gevorderde geletterdheid.

In het derde hoofdstuk worden de leerlijnen vertaald naar tussendoelen, waarbij de auteurs een onderscheid maken tussen de tussendoelen voor de middenbouw (3e en 4e leerjaar) en deze voor de bovenbouw (5e en 6e leerjaar). De tussendoelen op zich blijven gelijk, de invulling is anders:

  • lees- en schrijfmotivatie;
  • technisch lezen;
  • spelling en interpunctie;
  • begrijpend lezen;
  • strategisch schrijven;
  • informatieverwerving;
  • leeswoordenschat;
  • reflectie op geschreven taal.

Elk tussendoel wordt zeer uitgebreid besproken. Daarbij is er nadrukkelijk aandacht voor de praktijk met suggesties naar mogelijke technieken, tips om leerlingen te stimuleren, mogelijkheden tot zelfcorrectie en nog veel meer. In alles is de wetenschappelijke onderbouw nadrukkelijk aanwezig.

Tot slot staat het vierde hoofdstuk stil bij omstandigheden die de ontwikkeling van de gevorderde geletterdheid kunnen stimuleren.

werken aan tussendoelen gevorderde geletterdheidOok bij dit boek hoort een Cd-rom die de inhoud nog meer verduidelijkt en tot leven brengt. Hij bevat 50 filmopnames van een goede praktijk, achtergrondinformatie bij de tussendoelen en een strategie om de Tussendoelen gevorderde geletterdheid op school in te voeren. Een aantal instrumenten voor inventarisatie & actie en controlelijsten voor leerkrachten en leerlingen kunnen daarbij aangewend worden. Een begrippenlijst zorgt er voor dat men over hetzelfde blijft spreken.

Een noodzakelijke aanvulling voor de didactische bibliotheek van elke school.

afdrukken

21:38 Gepost door Lieven Coppens in Expertisecentrum Nederlands | Permalink | Email dit | Tags: lezen, spelling, taal, lager onderwijs, didactiek, basisonderwijs, geletterdheid, tussendoelen, gevorderde geletterdheid | |