2013.10.06

Ouderhulpkaarten Voortgezet onderwijs

Auteur: Cedin & Expertisepunt Ouderbetrokkenheid
Titel: Ouderhulpkaarten Voortgezet Onderwijs
Uitgeverij: Eduforce
Plaats: Drachten
Jaar: 2013
Pagina's: 202
ISBN-13: 978-94-91510-06-9
Prijs:  € 99,95

ouderhulpkaarten voortgezet onderwijsZowel in Vlaanderen als in Nederland merkt men dat een stuk van de opvoedingstaak van ouders doorgeschoven wordt naar de school. Op oudergesprekken komen niet alleen de leervorderingen van de leerling aan bod maar worden er door de ouders ook opvoedingsvragen gesteld. Om leerkrachten hierbij te ondersteunen, heeft de Nederlandse Stichting Cedin samen met het ExpertisePunt Ouderbetrokkenheid een reeks concrete mappen uitgewerkt. In deze reeks kwamen eerder al verschillende thema’s aan bod:

  • Ouderhulpkaarten Het Jonge Kind;
  • Ouderhulpkaarten Sociaal Emotioneel;
  • Ouderhulpkaarten Taal en lezen.

Een nieuwe map, Ouderhulpkaarten Voortgezet onderwijs, wil de ouders van kinderen uit het secundair|voortgezet onderwijs sterker maken in het begeleiden en ondersteunen van hun jonge student. Ze bestaat uit negentien verschillende kaarten die te maken hebben met een van de volgende vier thema’s:

  • Huiswerk en agenda (vb. Kaart 1: Leren ordenen en plannen);
  • Leren leren (vb. Kaart 3: Doelgericht leren);
  • Online (vb. Kaart 12: Betrouwbare informatie op internet);
  • Pubergedrag (vb. Kaart 16: Regels, grenzen en loslaten).

Op elke kaart staat een stukje achtergrondinformatie over het onderwerp. Dit wordt aangevuld met concrete tips, oefeningen, opdrachten en/of concrete activiteiten die de ouders met hun kind kunnen doen. Het is de bedoeling dat de leerkracht een van deze kaarten meegeeft met ouders, bijvoorbeeld naar aanleiding van een gesprek. Het is aan te bevelen dat hij deze kaart eerst met hen doorneemt en er een woordje uitleg bij geeft. Van elke kaart zitten er vijf exemplaren in de map. Ze kan dus aan verschillende ouders tegelijk worden uitgeleend. Wie enkele voorbeeldkaarten wil bekijken, kan dit doen op de website van de uitgeverij, www.eduforce.nl.

Ook deze map is zeker de moeite waard!

afdrukken

2013.02.23

Boys & girls - Basisonderwijs

Auteur: Michael Gurian, Kathy Stevens & Kelley King
Titel: Boys & Girls
Strategieën voor onderwijs aan jongens & meisjes in het basisonderwijs
Uitgeverij: Onderwijs maak je samen
Plaats: Helmond
Jaar: 2008
Pagina's: 270
ISBN-13: 978-90-814613-6-8
Prijs: € 39,95

Boys & girls - Strategieën voor onderwijs aan jongens & meisjes in het basisonderwijsMen weet al langer dan vandaag dat het brein van meisjes op een andere en schijnbaar snellere manier ontwikkelt dan het brein van de jongens. Zo spreekt men van een ontwikkelingsverschil van om en bij twee jaar. Concreet betekent dit dat ze er bepaalde andere vaardigheden en attitudes op nahouden. Goed onderwijs houdt met deze verschillen rekening. Wat daarom nog niet hoeft te betekenen dat we terug moeten naar de situatie van vroeger waar er jongens- en meisjesscholen waren. Het is eerder de bedoeling om de unieke sterke punten van jongens en meisjes bewust aan te speken.

Michael Gurian, Amerikaans sociaal filosoof en gezinstherapeut, heeft de verdienste om de bevindingen van de neurobiologie en het hersenonderzoek onder andere naar het onderwijs te hebben vertaald. Evidence based dus. De strategieën die in dit boek aangereikt worden, zijn het resultaat van deze vertaalslag. Leerkrachten, scholen en schoolbesturen die aan onderwijsvernieuwing denken, lezen dus maar beter eerst dit boek. Omdat jongens en meisjes nu eenmaal soms net iets anders nodig hebben.

In het eerste hoofdstuk van dit boek gaan de auteurs dieper in op de verschillen in de hersenontwikkeling tussen jongens en meisjes en welke gevolgen deze hebben voor het leren. Deze verschillen zijn zowel te vinden in het structurele, het verwerken van taal, het verwerken van ruimtelijke en zintuiglijke informatie als in de chemie van de hersenen. Er is zelfs verschil in de voorkeur voor een bepaalde hersenhelft.

Het tweede hoofdstuk is een pleidooi voor meer beweging in het onderwijs. Omdat de hersenen van kinderen beter zouden functioneren als ze meer zouden mogen bewegen. Dit is geen losse opmerking: de auteurs staven deze bewering opnieuw vanuit de bevindingen van het hersenonderzoek. Naast het weerleggen van enkele vooroordelen tegen bewegend leren, vind je in dit hoofdstuk voor de verschillende vakgebieden enkele praktische en bruikbare strategieën.

Toon meer en praat minder. Zo zou je de essentie van het derde hoofdstuk kunnen weergeven. Vooral jongens, die minder op taal gericht zijn dan meisjes, komt dit enorm ten goede. Daarenboven zijn veel leerlingen sterk op het visueel-ruimtelijk vlak terwijl deze sterkte niet of nauwelijks in de klas aangesproken wordt. Meer nog: de leerlingen kunnen deze sterkte ook aanwenden om beter te worden in verbale taken zoals lezen en schrijven. In dit hoofdstuk leer je ook dat onderzoek heeft aangetoond dat er een positieve correlatie bestaat tussen de prestaties van de leerlingen en het gebruik van niet-taalkundige middelen, zoals grafische voorstellingen, symbolen, afbeeldingen en visualisaties. Dat je bij dit alles de kinderen inspraak moet geven en keuzes moet laten maken, wordt uitgelegd in het volgende hoofdstuk. Vooral het lezen en schrijven komt dit ten goede. Op die manier kunnen ze immers keuzes maken die meer aansluiten bij de ontwikkeling van hun hersenen en dus vanzelf ook rekening houden met de verschillen in ontwikkeling tussen jongens en meisjes.

Laat jongens en meisjes samen leren en geef ze meer mogelijkheden voor sociale interactie. Dit is het centrale thema van het vijfde hoofdstuk. Deze sociale interactie stimuleert immers hersenactiviteit die het leerproces bevordert. Leerlingen die geleerd hebben om hun emoties de baas te kunnen, maken ook meer kans op succes. Door een positieve sociale interactie voelen zij zich sociaal en emotioneel veilig, waardoor ze meer kunnen leren en onthouden. Tegelijk zorgen dergelijke activiteiten ook voor meer bewegingskansen (zie hoofdstuk 2).

Ook op het niveau van het basisonderwijs moeten leerlingen ervaringen dat het leren er echt toe doet. Het onderwijs moet dus doelgericht en betekenisvol zijn. Niet in het minst voor jongens, die uit zichzelf al veel meer moeite hebben dan meisjes om de relevantie van iets te ervaren. En ook dat, je raadt het, is voor een stuk neurobiologisch bepaald. Heel wat praktische voorbeelden zetten de lezer hier zeker op de juiste weg.

In het zevende hoofdstuk krijgen kunst en muziek hun plaats in het basisonderwijs. Omdat dit hoofdstuk maar moeilijk laat samenvatten, lees je het maar beter integraal in het boek. Dit kan ik alvast vrijgeven: muziek en de verschillende kunstvakken hebben, mits juist aangewend, een positieve correlatie met het leren en verankeren van de schoolse kennis.

De leerkracht moet aansluiten vinden bij zijn leerlingen. Positieve relaties tussen leerkrachten en kinderen stimuleren het leerproces. Een persoonlijke band met leerlingen werkt. Aldus de boodschap achter het achtste hoofdstuk. Op zich een hartverwarmend hoofdstuk. Het negende hoofdstuk sluit hier nauw bij aan: karaktervormend onderwijs is basis voor leren en leven. In dit soort onderwijs krijgen eigenschappen zoals respect, verantwoordelijkheid, integriteit, zich inspannen hun terechte plaats. Omdat karaktervorming altijd een combinatie is van weten (de waarden) en handelen (het omzetten van deze waarden in geloofwaardige daden). Speciale aandacht gaat hierbij naar een zeer actueel thema, het pesten.

In het tiende en laatste hoofdstuk houden de auteurs een pleidooi voor een goede verstandhouding en een positieve samenwerking tussen leerkracht en ouders. Omdat ouderlijke betrokkenheid nu eenmaal een van de beste voorspellers is voor succes van het kind op school.

Door de rijkdom van dit boek doet deze bespreking het onvermijdelijk onrecht aan. De voortdurende verwijzingen naar de gegevens uit het hersenonderzoek, het voortdurend maken van de vertaalslag van de inhoudelijke punten naar het omgaan met de verschillen tussen jongens en meisjes en de realistische en bij momenten relativerende aanpak van de thema’s maken dit boek tot een noodzakelijk onderdeel van de schoolbibliotheek.

afdrukken

14:41 Gepost door Lieven Coppens in Onderwijs maak je samen | Permalink | Tags: basisonderwijs, genderverschillen, leren, methodiek, neurobiologie, neuropsychologie, onderwijsstrategie | |

Boys & girls: Voortgezet onderwijs

Auteur: Michael Gurian, Kathy Stevens & Kelley King
Titel: Boys & Girls
Strategieën voor onderwijs aan jongens & meisjes in het voortgezet onderwijs
Uitgeverij: Onderwijs maak je samen
Plaats: Helmond
Jaar: 2008
Pagina's: 256
ISBN-13: 978-90-817484-1-4
Prijs: € 39,95

Boys & girls - Strategieën voor onderwijs aan jongens & meisjes in het voortgezet onderwijsMen weet al langer dan vandaag dat het brein van meisjes op een andere en schijnbaar snellere manier ontwikkelt dan het brein van de jongens. Zo spreekt men van een ontwikkelingsverschil van om en bij twee jaar. Concreet betekent dit dat ze er bepaalde andere vaardigheden en attitudes op nahouden. Goed onderwijs houdt met deze verschillen rekening. Wat daarom nog niet hoeft te betekenen dat we terug moeten naar de situatie van vroeger waar er jongens- en meisjesscholen waren. Maar ook niet dat jongens en meisjes altijd samen les moeten krijgen. Het is eerder de bedoeling om de unieke sterke punten van jongens en meisjes bewust aan te speken.

Michael Gurian, Amerikaans sociaal filosoof en gezinstherapeut, heeft de verdienste om de bevindingen van de neurobiologie en het hersenonderzoek onder andere naar het onderwijs te hebben vertaald. Evidence based dus. De strategieën die in dit boek aangereikt worden, zijn het resultaat van deze vertaalslag. Leerkrachten, scholen en schoolbesturen die aan onderwijsvernieuwing denken, lezen dus maar beter eerst dit boek. Omdat jongens en meisjes nu eenmaal soms net iets anders nodig hebben.

In het eerste hoofdstuk van dit boek gaan de auteurs dieper in op de verschillen in de hersenontwikkeling tussen jongens en meisjes en welke gevolgen deze hebben voor het leren. Deze verschillen zijn zowel te vinden in het structurele, het verwerken van taal, het verwerken van ruimtelijke en zintuiglijke informatie als in de chemie van de hersenen. Er is zelfs verschil in de voorkeur voor een bepaalde hersenhelft.

Het tweede hoofdstuk is een pleidooi voor meer beweging in het onderwijs. Omdat de hersenen van jongeren dan beter functioneren. Dit is geen losse opmerking: de auteurs staven deze bewering opnieuw vanuit de bevindingen van het hersenonderzoek. Naast het weerleggen van enkele vooroordelen tegen bewegend leren, vind je in dit hoofdstuk voor de verschillende vakgebieden enkele praktische en bruikbare strategieën.

In het derde hoofdstuk komt het gebruik in de klas van visuele en ruimtelijke strategieën aanbod. Centraal staat hier het concept van een Playbook, een concept dat de auteurs onvertaald laten omdat er geen passend Nederlands woord voor bestaat. Een Playbook helpt de leerling om zich te richten op zijn sterke en zwakke punten. Het helpt de leerkracht omdat deze strategieën kan gebruiken om meer en beter in te spelen op de sterke punten van die leerling. Het visueel-ruimtelijk leren is zowel voor jongens als meisjes een krachtig instrument om hun sterke punten te leren kennen en ook te leren voorbij deze punten. Het zal de lezer niet ontgaan dat de auteurs van de integratie van technologie in het onderwijs zowel voor jongens als voor meisjes veel heil verwachten.

Vorm leerteams met jongens en meisjes zodat ze van elkaar kunnen leren. Sociale interactie is zeer belangrijk. Dat is het centrale thema van het vierde hoofdstuk. Dat de auteurs onmiddellijk relativeren door aan te tonen dat het soms beter is om in sekse specifieke groepen te onderwijzen. Om meerdere redenen. Dat je bij dit alles de jongeren de leiding moet laten nemen en hen keuzes moet laten maken, wordt uitgelegd in het vijfde hoofdstuk. Op die manier kunnen ze immers keuzes maken die meer aansluiten bij de ontwikkeling van hun hersenen en dus vanzelf ook rekening houden met de verschillen in ontwikkeling tussen jongens en meisjes. Meer nog, ook de ontwikkeling van hun hersenen wordt er beter van.

Het zesde hoofdstuk staat in het teken van het zinvol, echte, betekenisvolle leren. Nog anders gezegd: het leren moet verband houden met, relevant zijn voor de realiteit, voor hun realiteit. Die emotionele connectie is noodzakelijk omdat het brein dan op een actievere wijze leert. Deze connectie met de realiteit kan er immers voor zorgen dat men zich ook wil inzetten voor die inhouden die men als nutteloos beschouwt. Maar ook hier speelt het verschil tussen jongens en meisjes weer een rol: het mannelijke brein moet je op een andere manier motiveren dan het vrouwelijke. Heel wat praktische strategieën wijzen hier de lezer de weg.

Lezen om te leren: hier staan de auteurs uitgebreid bij stil in het zevende hoofdstuk. In het lezen en het schrijven spelen opnieuw heel wat verschillen tussen jongens en meisjes een rol. Er is dus een kloof in de geletterdheid. Die kan voor een deel overbrugd worden door de lijsten met verplichte literatuur meer jongensvriendelijk te maken. Heel relevant vond ik hierbij het stukje dat leesplezier herdefinieert vanuit de gendervoorkeuren met betrekking tot lezen. Om een tipje van de sluier op te lichten: stripverhalen en grafische romans krijgen hier ook een plaats! Verder kunnen aangepaste verwerkingsvormen voor jongens en meisjes een wereld van verschil maken.

Zelf kiezen? Ja. Maar vergeet asjeblieft het belang van een mentor niet. Dat is de stelling die de auteurs verdedigen in het voorlaatste hoofdstuk van dit boek. Een mentor zal opnieuw rekening moeten houden met de verschillende verwachtingen van jongens en meisjes. De strategieën in dit hoofdstuk zijn daarbij zeker een hulp.

In het laatste hoofdstuk bespreken de auteurs nog een viertal thema’s: huiswerk, het belang van rust, het belang van de voeding en de stress van het adolescent zijn. Een aantal praktische ideeën leren de leerkracht hoe hij hier kan mee omgaan.

Door de rijkdom van dit boek doet deze bespreking het onvermijdelijk onrecht aan. De voortdurende verwijzingen naar de gegevens uit het hersenonderzoek, het voortdurend maken van de vertaalslag van de inhoudelijke punten naar het omgaan met de verschillen tussen jongens en meisjes en de realistische en bij momenten relativerende aanpak van de thema’s maken dit boek tot een noodzakelijk onderdeel van de schoolbibliotheek.

afdrukken

14:27 Gepost door Lieven Coppens in Onderwijs maak je samen | Permalink | Tags: genderverschillen, leren, methodiek, neurobiologie, neuropsychologie, onderwijsstrategie, secundair onderwijs | |