2013.02.23

Boys & girls - Basisonderwijs

Auteur: Michael Gurian, Kathy Stevens & Kelley King
Titel: Boys & Girls
Strategieën voor onderwijs aan jongens & meisjes in het basisonderwijs
Uitgeverij: Onderwijs maak je samen
Plaats: Helmond
Jaar: 2008
Pagina's: 270
ISBN-13: 978-90-814613-6-8
Prijs: € 39,95

Boys & girls - Strategieën voor onderwijs aan jongens & meisjes in het basisonderwijsMen weet al langer dan vandaag dat het brein van meisjes op een andere en schijnbaar snellere manier ontwikkelt dan het brein van de jongens. Zo spreekt men van een ontwikkelingsverschil van om en bij twee jaar. Concreet betekent dit dat ze er bepaalde andere vaardigheden en attitudes op nahouden. Goed onderwijs houdt met deze verschillen rekening. Wat daarom nog niet hoeft te betekenen dat we terug moeten naar de situatie van vroeger waar er jongens- en meisjesscholen waren. Het is eerder de bedoeling om de unieke sterke punten van jongens en meisjes bewust aan te speken.

Michael Gurian, Amerikaans sociaal filosoof en gezinstherapeut, heeft de verdienste om de bevindingen van de neurobiologie en het hersenonderzoek onder andere naar het onderwijs te hebben vertaald. Evidence based dus. De strategieën die in dit boek aangereikt worden, zijn het resultaat van deze vertaalslag. Leerkrachten, scholen en schoolbesturen die aan onderwijsvernieuwing denken, lezen dus maar beter eerst dit boek. Omdat jongens en meisjes nu eenmaal soms net iets anders nodig hebben.

In het eerste hoofdstuk van dit boek gaan de auteurs dieper in op de verschillen in de hersenontwikkeling tussen jongens en meisjes en welke gevolgen deze hebben voor het leren. Deze verschillen zijn zowel te vinden in het structurele, het verwerken van taal, het verwerken van ruimtelijke en zintuiglijke informatie als in de chemie van de hersenen. Er is zelfs verschil in de voorkeur voor een bepaalde hersenhelft.

Het tweede hoofdstuk is een pleidooi voor meer beweging in het onderwijs. Omdat de hersenen van kinderen beter zouden functioneren als ze meer zouden mogen bewegen. Dit is geen losse opmerking: de auteurs staven deze bewering opnieuw vanuit de bevindingen van het hersenonderzoek. Naast het weerleggen van enkele vooroordelen tegen bewegend leren, vind je in dit hoofdstuk voor de verschillende vakgebieden enkele praktische en bruikbare strategieën.

Toon meer en praat minder. Zo zou je de essentie van het derde hoofdstuk kunnen weergeven. Vooral jongens, die minder op taal gericht zijn dan meisjes, komt dit enorm ten goede. Daarenboven zijn veel leerlingen sterk op het visueel-ruimtelijk vlak terwijl deze sterkte niet of nauwelijks in de klas aangesproken wordt. Meer nog: de leerlingen kunnen deze sterkte ook aanwenden om beter te worden in verbale taken zoals lezen en schrijven. In dit hoofdstuk leer je ook dat onderzoek heeft aangetoond dat er een positieve correlatie bestaat tussen de prestaties van de leerlingen en het gebruik van niet-taalkundige middelen, zoals grafische voorstellingen, symbolen, afbeeldingen en visualisaties. Dat je bij dit alles de kinderen inspraak moet geven en keuzes moet laten maken, wordt uitgelegd in het volgende hoofdstuk. Vooral het lezen en schrijven komt dit ten goede. Op die manier kunnen ze immers keuzes maken die meer aansluiten bij de ontwikkeling van hun hersenen en dus vanzelf ook rekening houden met de verschillen in ontwikkeling tussen jongens en meisjes.

Laat jongens en meisjes samen leren en geef ze meer mogelijkheden voor sociale interactie. Dit is het centrale thema van het vijfde hoofdstuk. Deze sociale interactie stimuleert immers hersenactiviteit die het leerproces bevordert. Leerlingen die geleerd hebben om hun emoties de baas te kunnen, maken ook meer kans op succes. Door een positieve sociale interactie voelen zij zich sociaal en emotioneel veilig, waardoor ze meer kunnen leren en onthouden. Tegelijk zorgen dergelijke activiteiten ook voor meer bewegingskansen (zie hoofdstuk 2).

Ook op het niveau van het basisonderwijs moeten leerlingen ervaringen dat het leren er echt toe doet. Het onderwijs moet dus doelgericht en betekenisvol zijn. Niet in het minst voor jongens, die uit zichzelf al veel meer moeite hebben dan meisjes om de relevantie van iets te ervaren. En ook dat, je raadt het, is voor een stuk neurobiologisch bepaald. Heel wat praktische voorbeelden zetten de lezer hier zeker op de juiste weg.

In het zevende hoofdstuk krijgen kunst en muziek hun plaats in het basisonderwijs. Omdat dit hoofdstuk maar moeilijk laat samenvatten, lees je het maar beter integraal in het boek. Dit kan ik alvast vrijgeven: muziek en de verschillende kunstvakken hebben, mits juist aangewend, een positieve correlatie met het leren en verankeren van de schoolse kennis.

De leerkracht moet aansluiten vinden bij zijn leerlingen. Positieve relaties tussen leerkrachten en kinderen stimuleren het leerproces. Een persoonlijke band met leerlingen werkt. Aldus de boodschap achter het achtste hoofdstuk. Op zich een hartverwarmend hoofdstuk. Het negende hoofdstuk sluit hier nauw bij aan: karaktervormend onderwijs is basis voor leren en leven. In dit soort onderwijs krijgen eigenschappen zoals respect, verantwoordelijkheid, integriteit, zich inspannen hun terechte plaats. Omdat karaktervorming altijd een combinatie is van weten (de waarden) en handelen (het omzetten van deze waarden in geloofwaardige daden). Speciale aandacht gaat hierbij naar een zeer actueel thema, het pesten.

In het tiende en laatste hoofdstuk houden de auteurs een pleidooi voor een goede verstandhouding en een positieve samenwerking tussen leerkracht en ouders. Omdat ouderlijke betrokkenheid nu eenmaal een van de beste voorspellers is voor succes van het kind op school.

Door de rijkdom van dit boek doet deze bespreking het onvermijdelijk onrecht aan. De voortdurende verwijzingen naar de gegevens uit het hersenonderzoek, het voortdurend maken van de vertaalslag van de inhoudelijke punten naar het omgaan met de verschillen tussen jongens en meisjes en de realistische en bij momenten relativerende aanpak van de thema’s maken dit boek tot een noodzakelijk onderdeel van de schoolbibliotheek.

afdrukken

14:41 Gepost door Lieven Coppens in Onderwijs maak je samen | Permalink | Tags: basisonderwijs, genderverschillen, leren, methodiek, neurobiologie, neuropsychologie, onderwijsstrategie | |

Boys & girls: Voortgezet onderwijs

Auteur: Michael Gurian, Kathy Stevens & Kelley King
Titel: Boys & Girls
Strategieën voor onderwijs aan jongens & meisjes in het voortgezet onderwijs
Uitgeverij: Onderwijs maak je samen
Plaats: Helmond
Jaar: 2008
Pagina's: 256
ISBN-13: 978-90-817484-1-4
Prijs: € 39,95

Boys & girls - Strategieën voor onderwijs aan jongens & meisjes in het voortgezet onderwijsMen weet al langer dan vandaag dat het brein van meisjes op een andere en schijnbaar snellere manier ontwikkelt dan het brein van de jongens. Zo spreekt men van een ontwikkelingsverschil van om en bij twee jaar. Concreet betekent dit dat ze er bepaalde andere vaardigheden en attitudes op nahouden. Goed onderwijs houdt met deze verschillen rekening. Wat daarom nog niet hoeft te betekenen dat we terug moeten naar de situatie van vroeger waar er jongens- en meisjesscholen waren. Maar ook niet dat jongens en meisjes altijd samen les moeten krijgen. Het is eerder de bedoeling om de unieke sterke punten van jongens en meisjes bewust aan te speken.

Michael Gurian, Amerikaans sociaal filosoof en gezinstherapeut, heeft de verdienste om de bevindingen van de neurobiologie en het hersenonderzoek onder andere naar het onderwijs te hebben vertaald. Evidence based dus. De strategieën die in dit boek aangereikt worden, zijn het resultaat van deze vertaalslag. Leerkrachten, scholen en schoolbesturen die aan onderwijsvernieuwing denken, lezen dus maar beter eerst dit boek. Omdat jongens en meisjes nu eenmaal soms net iets anders nodig hebben.

In het eerste hoofdstuk van dit boek gaan de auteurs dieper in op de verschillen in de hersenontwikkeling tussen jongens en meisjes en welke gevolgen deze hebben voor het leren. Deze verschillen zijn zowel te vinden in het structurele, het verwerken van taal, het verwerken van ruimtelijke en zintuiglijke informatie als in de chemie van de hersenen. Er is zelfs verschil in de voorkeur voor een bepaalde hersenhelft.

Het tweede hoofdstuk is een pleidooi voor meer beweging in het onderwijs. Omdat de hersenen van jongeren dan beter functioneren. Dit is geen losse opmerking: de auteurs staven deze bewering opnieuw vanuit de bevindingen van het hersenonderzoek. Naast het weerleggen van enkele vooroordelen tegen bewegend leren, vind je in dit hoofdstuk voor de verschillende vakgebieden enkele praktische en bruikbare strategieën.

In het derde hoofdstuk komt het gebruik in de klas van visuele en ruimtelijke strategieën aanbod. Centraal staat hier het concept van een Playbook, een concept dat de auteurs onvertaald laten omdat er geen passend Nederlands woord voor bestaat. Een Playbook helpt de leerling om zich te richten op zijn sterke en zwakke punten. Het helpt de leerkracht omdat deze strategieën kan gebruiken om meer en beter in te spelen op de sterke punten van die leerling. Het visueel-ruimtelijk leren is zowel voor jongens als meisjes een krachtig instrument om hun sterke punten te leren kennen en ook te leren voorbij deze punten. Het zal de lezer niet ontgaan dat de auteurs van de integratie van technologie in het onderwijs zowel voor jongens als voor meisjes veel heil verwachten.

Vorm leerteams met jongens en meisjes zodat ze van elkaar kunnen leren. Sociale interactie is zeer belangrijk. Dat is het centrale thema van het vierde hoofdstuk. Dat de auteurs onmiddellijk relativeren door aan te tonen dat het soms beter is om in sekse specifieke groepen te onderwijzen. Om meerdere redenen. Dat je bij dit alles de jongeren de leiding moet laten nemen en hen keuzes moet laten maken, wordt uitgelegd in het vijfde hoofdstuk. Op die manier kunnen ze immers keuzes maken die meer aansluiten bij de ontwikkeling van hun hersenen en dus vanzelf ook rekening houden met de verschillen in ontwikkeling tussen jongens en meisjes. Meer nog, ook de ontwikkeling van hun hersenen wordt er beter van.

Het zesde hoofdstuk staat in het teken van het zinvol, echte, betekenisvolle leren. Nog anders gezegd: het leren moet verband houden met, relevant zijn voor de realiteit, voor hun realiteit. Die emotionele connectie is noodzakelijk omdat het brein dan op een actievere wijze leert. Deze connectie met de realiteit kan er immers voor zorgen dat men zich ook wil inzetten voor die inhouden die men als nutteloos beschouwt. Maar ook hier speelt het verschil tussen jongens en meisjes weer een rol: het mannelijke brein moet je op een andere manier motiveren dan het vrouwelijke. Heel wat praktische strategieën wijzen hier de lezer de weg.

Lezen om te leren: hier staan de auteurs uitgebreid bij stil in het zevende hoofdstuk. In het lezen en het schrijven spelen opnieuw heel wat verschillen tussen jongens en meisjes een rol. Er is dus een kloof in de geletterdheid. Die kan voor een deel overbrugd worden door de lijsten met verplichte literatuur meer jongensvriendelijk te maken. Heel relevant vond ik hierbij het stukje dat leesplezier herdefinieert vanuit de gendervoorkeuren met betrekking tot lezen. Om een tipje van de sluier op te lichten: stripverhalen en grafische romans krijgen hier ook een plaats! Verder kunnen aangepaste verwerkingsvormen voor jongens en meisjes een wereld van verschil maken.

Zelf kiezen? Ja. Maar vergeet asjeblieft het belang van een mentor niet. Dat is de stelling die de auteurs verdedigen in het voorlaatste hoofdstuk van dit boek. Een mentor zal opnieuw rekening moeten houden met de verschillende verwachtingen van jongens en meisjes. De strategieën in dit hoofdstuk zijn daarbij zeker een hulp.

In het laatste hoofdstuk bespreken de auteurs nog een viertal thema’s: huiswerk, het belang van rust, het belang van de voeding en de stress van het adolescent zijn. Een aantal praktische ideeën leren de leerkracht hoe hij hier kan mee omgaan.

Door de rijkdom van dit boek doet deze bespreking het onvermijdelijk onrecht aan. De voortdurende verwijzingen naar de gegevens uit het hersenonderzoek, het voortdurend maken van de vertaalslag van de inhoudelijke punten naar het omgaan met de verschillen tussen jongens en meisjes en de realistische en bij momenten relativerende aanpak van de thema’s maken dit boek tot een noodzakelijk onderdeel van de schoolbibliotheek.

afdrukken

14:27 Gepost door Lieven Coppens in Onderwijs maak je samen | Permalink | Tags: genderverschillen, leren, methodiek, neurobiologie, neuropsychologie, onderwijsstrategie, secundair onderwijs | |

2012.11.01

Breinlink voor ouders

Auteur: Gerjanne Dirksen & Hulda Möller
Titel: Breinlink voor ouders
Je kind helpen leren
Uitgeverij: Scriptum
Plaats: Schiedam
Jaar: 2011
Pagina's: 184
ISBN-13: 9789055948208
Prijs: € 19,95

breinlink voor ouders - je kind helpen lerenEvidence based. Dit is wel het minste wat je van dit boek kan zeggen. De auteurs hebben tijd nog moeite gespaard om de recente wetenschappelijke inzichten in verband met de ontwikkeling van de hersenen toe te passen op het begeleiden van kinderen bij het huiswerk en het motiveren tot leren. Ouders – want voor hen is dit boek bedoeld – die zich zorgen maken over het in het boek gebruikte vakjargon en/of de abstract-theoretische taal, kunnen we meteen geruststellen. Die is er nagenoeg niet. Het weinige jargon dat men toch gebruikt, wordt daarenboven zo concreet uitgelegd dat het al na de eerste lezing duidelijk is. In die zin maken de auteurs hun belofte om een brug te slaan tussen de wetenschappelijke kennis over het brein en het dagelijkse leven van ouders meer dan waar. Ik kan me goed voorstellen dat het, omwille van de realistische manier waarin in en ander beschreven werd, voor sommige ouders ook heel confronterend kan zijn: bij momenten worden ze immers rechtstreeks door de auteurs aangesproken of worden ze , door de aard van de zaak, als het ware gedwongen om over zichzelf als lerende te reflecteren. Daaren-boven is het, omwille van de zorgvuldig gekozen afbeeldingen (foto’s en cartoons) en de talrijke Tips om uit te proberen een zeer handig werkinstrument voor professionelen die aan ouders moeten uitleggen hoe ze hun kind kunnen begeleiden bij het maken van huiswerk en het leren van lessen.

Het boek is opgebouwd rond de theorie van het BreinCentraal Leren (BCL) . In het eerste hoofdstuk leggen de auteurs uit dat het brein zeer plastisch is en gevormd wordt door wat de eigenaar van het brein doet, denkt en voelt. Naarmate deze ervaringen groter en intenser zijn, is de verandering van het brein ook groter. Wie leert, vormt als vanzelf sterke en uitgebreide netwerken. Deze netwerken zijn de snelwegen naar de kennis. Belangrijk daarmee is dat leerlingen goede voorbeelden krijgen van volwassenen: via de spiegelneuronen komen deze voorbeelden ook in het brein van het kind of de jongere terecht. Weet boven alles dat het brein van pubers nog lang niet uitgerijpt is. Hierdoor kan het zichzelf nog veel te weinig sturen en is er een externe sturing van volwassenen noodzakelijk. Pas rond het 23e levensjaar is het brein uitgerijpt. Elk brein houdt er zijn eigen rijpingsschema op na. Dat maakt het juist uniek. Er bestaat wel zekerheid over het feit dat het brein van jongens overwegend later uitrijpt dan dat van mensen. Hierbij spreekt men van een verschil van ongeveer 2 jaar.

Samengevat komt het tweede hoofdstuk er op neer dat de volwassenen de kinderen ervan moeten overtuigen dat hun brein plastisch is: leren is niet iets dat hen overkomt en waar weinig aan te doen is. Men kan dus wel degelijk de verantwoordelijkheid voor het eigen leren opnemen. Daarbij is het belangrijk dat je als ouder goed beseft dat jouw eigen verwachtingen voor een kind ontwikkelend of verstarrend kunnen zijn. Centraal staat hier immers het begrip mindset of iemands persoonlijke Overtuiging Over Ontwikkelbaarheid: als ouder kun je deze mindset positief of negatief benoemen. Het derde hoofdstuk sluit hier zeer nauw op aan door het belang en de invloed van feedback te benadrukken.

In het vierde hoofdstuk worden de zes basisprincipes van het BreinCentraal Leren (BCL) volledig uit de doeken gedaan. Het zijn de volgende:

  • Maak het aandachtig, nuttig, voorstelbaar en realistisch [Focus];
  • Maak het spannend en wees een dopaminedealer [Emotie];
  • Herhaal om niet te vergeten en vergeet niet te spreiden [Herhaal];
  • Creatie: actief aan de slag en dieper laten nadenken; [Creatie];
  • Voortbouwen: activeer voorkennis en helpende associaties [Voortbouwen];
  • Zintuiglijk rijk, zet zoveel mogelijke zintuigen in [Zintuiglijk rijk].

Heel belangrijk hierbij zijn de blauw gerande kadertjes die heel veel nuttige oudertips bevatten. Deze principes kun je stuk voor stuk inzetten bij huiswerkbegeleiding. In het vijfde en laatste hoofdstuk van het boek worden als tips en werkvormen om een kind bij het huiswerk te begeleiden nog eens op een rijtje gezet.

Bij het boek wordt er een gratis boekje meegeleverd voor kinderen over de werking van het brein en met huiswerktips.

afdrukken

09:54 Gepost door Lieven Coppens in Scriptum | Permalink | Tags: hersenen, leren, leren leren, leren studeren, neurologie, neuropsychologie, ontwikkeling | |

2011.09.11

LEMO - Een instrument voor feedback over leren en motivatie

Auteur: Vincent Donche, Peter Van Petegem, Herman Van de Mosselaer & Jan Vermunt (red.)
Titel: LEMO - Een instrument voor feedback over leren en motivatie
Uitgeverij: Plantyn
Plaats: Mechelen
Jaar: 2010
Pagina's: 66
ISBN-13: 978-90-301-0834-4
Prijs: € 30,40

lemo - een instrument voor feedback over leren en motivatieLEMO is, zoals de ondertitel het zegt, een instrument voor feedback over leren en motivatie. Het is een vragenlijst die gebruik maakt van zelfrapportage. Dit houdt in dat de leerling uit de derde graad van het secundair onderwijs of de student uit het hoger onderwijs over zichzelf reflecteert aan de hand van een vragenlijst. Het instrument baseert zich onder andere op het recente wetenschappelijke inzicht dat het meta-leren (nadenken over het eigen leren) versterkend werkt voor het eigenlijke leren.

Via deze vragenlijst kun je verschillende kenmerken van leren en motivatie in kaart brengen. Ze bevraagt vier grote facetten:

  • verwerkingsstrategieën:
    • relateren en structureren;
    • kritisch verwerken;
    • analyseren;
    • memoriseren;
    • concreet verwerken;
  • regulatiestrategieën:
    • zelfsturing;
    • externe sturing;
    • stuurloosheid;
  • kenmerken van studiemotivatie:
    • willen studeren;
    • moeten studeren;
    • demotivatie;
  • inschatting van de eigen studiebekwaamheid (zelfeffectiviteit).

Er zijn vier basisversies van deze vragenlijst, telkens in een Vlaamse en een Nederlandse aanpassing:

  • LEMO (SO-AV): vragenlijst voor de laatste twee jaar secundair onderwijs, actuele vraagstelling;
  • LEMO (SO-RV): vragenlijst voor de overgang van het voorlaatste naar het laatste jaar secundair onderwijs, retrospectieve vraagstelling;
  • LEMO (HO-RV): vragenlijst voor de overgang van het secundair naar het hoger onderwijs, retrospectieve vraagstelling;
  • LEMO (HO-AV): vragenlijst voor het eerste jaar hoger onderwijs, actuele vraagstelling.

Het boek bevat de handleiding voor de afname, een exemplaar van de vier basisversies en de regels voor de kwantitatieve en kwalitatieve duiding van de resultaten. In het laatste hoofdstuk bespreken de auteurs de psychometrische kwaliteiten van het instrument.

De vragenlijsten kun je, zowel in de Vlaamse als in de Nederlandse variant, gratis van het Internet halen via http://www.knooppunt.net. Als lezer van het boek registreer je jezelf eenmalig en gratis als gebruiker. Je kunt dan, via de code uit het boek, de digitale versies van de vragenlijsten gebruiken.

Een betrouwbare aanwinst voor iedere leerling- en studentenbegeleider die werkt in de derde graad van het secundair onderwijs of in het hoger onderwijs.

afdrukken

22:37 Gepost door Lieven Coppens in Plantyn | Permalink | Tags: hoger onderwijs, instrumenten, leren, motivatie, secundair onderwijs, verwerkingsstrategieën, zelfeffectiviteit, zelfregulering | |

2010.05.02

Je huiswerk maken zonder ziek te worden

Auteur: Walter Dons
Titel: Je huiswerk maken zonder ziek te worden
Uitgeverij: Abimo/Schoolsupport
Plaats: Sint-Niklaas/Zuidhorn
Jaar: s.d.
Pagina's: 112
ISBN-13: 978-90-593-2412-1
Prijs: € 9,95

je huiswerk maken zonder ziek te wordenDit boekje uit de reeks Lach en leer is bedoeld voor leerlingen van het derde tot en met het zesde leerjaar. Het bevat heel wat ideeën rond het leren van lessen en het maken van toetsen en proefwerken. Op een speelse en leuke manier komen heel wat principes uit de traditionele lessen "Leren studeren" aan bod.

De ludieke inleiding over het niet maken van huiswerk is zeer herkenbaar voor kinderen en ouders. Toch blijft de boodschap duidelijk: huiswerk maken heeft zin! De volgende twee hoofdstukken gaan meteen over enkele belangrijke voorwaarden om dit in de beste omstandigheden te kunnen doen. Aan bod komt onder andere het belang van:

  • een pauze tussen school en huiswerk;
  • breinvriendelijke tussendoortjes;
  • een vast beginuur;
  • een huiswerkvriendelijke werkplek;
  • ...

De auteur geeft hier vanzelfsprekend concrete tips bij. Vervolgens staat hij stil bij het plannen van de huiswerkmomenten. Hierbij gaat hij uit van een vaste weekplanning waarin je eerst alle structurele ontspanningsmomenten (muziekschool, tekenacademie, jeugdbeweging, sportclub, ...) invult. Daarna geeft hij een woordje uitleg bij de meer flexibele dagplanning. Zeven tips moeten de leerling daarbij helpen. In het vijfde hoofdstuk maakt de auteur het nog eens duidelijk dat actief aanwezig zijn in de klas het maken van huiswerk gemakkelijker maakt.

Heel belangrijk is het hoofdstuk over het werken aan een langlopende taak. Voor veel schoolkinderen is dit een aartsmoeilijke opdracht. De auteur biedt hen een heel gestructureerde manier van werken aan.

Hoofdstukken zeven en acht behandelen typische onderwerpen van het "Leren studeren", zoals:

  • het belang van herhalen;
  • het maken van schema's;
  • het gebruiken van gedachtekaarten;
  • het belang van samenvattingen;
  • strategieën om een tekst te leren...

Het negende hoofdstukje geeft nog meer tips zoals het gebruiken van ezelsbruggetjes. Het benadrukt ook dat het belangrijk is om te (willen) leren uit de resultaten van een toets of proefwerk.

In het voorlaatste hoofdstuk werkt de auteur een strategie uit om een proefwerk te maken. Voor veel leerlingen uit de lagere school is ook dit geen overbodige luxe.

Het boekje eindigt met een aantal tips voor leerkrachten en ouders.

Net zoals de andere boekjes uit de reeks Lach en leer is dit boekje zeer vlot en licht geschreven met heel wat knipoogjes naar leerlingen, leerkrachten en ouders. Heel wat tekeningen en schema's ondersteunen de tekst. Samen met dat andere boekje uit dezelfde reeks Organiseer jezelf zonder je hoofd te verliezen, is het een krachtige ondersteuning voor alle schoolkinderen

afdrukken.

14:33 Gepost door Lieven Coppens in Abimo, Schoolsupport | Permalink | Tags: examens, leren, plannen, leren leren, samenvatten, mindmap, structureren, huiswerk, organiseren, leertips, leren studeren, studiemethode, studietechnieken | |