2016.09.18

Betrokkenheid!

Auteur: Robert J. Marzano & Debra J. Pickering met Tammy Heflebower
Titel: Betrokkenheid!
De sleutel tot beter leren - 16 strategieën voor in de klas
Uitgeverij: Bazalt
Plaats: Rotterdam
Jaar: 2016
Pagina's: 180
ISBN-13: 978-94-6118-222-7
Prijs: € 59,-

betrokkenheid.pngIn Vlaanderen en Nederland is het begrip betrokkenheid al langer bekend door het werk van Ferre Laevers. Met het nieuwe boek van Marzano krijgt dit begrip een heel andere en veel diepere betekenis. In dit studie-, reflectie- en doe-boek vertaalt hij de wetenschappelijke inzichten over de betrokkenheid van leerlingen naar een heus actieplan voor al even betrokken leerkrachten.

Het uitgangspunt van dit boek is dat betrokkenheid al heel lang gezien wordt als de basis voor effectief leren, maar dat het heel moeilijk is om het begrip eenduidig te definiëren. Zonder diep in te gaan op de verschillende wetenschappelijke theorieën over betrokkenheid – het boek is immers geschreven voor leerkrachten – presenteert Marzano een coherent model dat opgehangen wordt aan vier basisvragen:

  • Emoties: Hoe voel ik me?
  • Interesse: Ben ik geïnteresseerd?
  • Relevantie: Is dit belangrijk?
  • Doeltreffendheid: Kan ik dit?

In het eerste hoofdstuk van dit boek worden elk van deze vragen uitgewerkt en op een voor leerkrachten herkenbare manier wetenschappelijk onderbouwd: geen zware theorie dus, wel een essentiële inhoudelijke duiding. Meteen is dan ook het raamwerk van Marzano’s model gegeven. Hierin staan twee begrippen centraal die eenduidig gedefinieerd worden: aandacht en betrokkenheid. Ik citeer

We definiëren aandacht als een positieve reactie op de eerste twee vragen (‘Hoe voel ik me?’ en ‘Ben ik geïnteresseerd?’). Deze vragen gaan erover of informatie van de buitenwereld in het werkgeheugen komt. Als die informatie het werkgeheugen niet haalt, is de persoon in kwestie zich niet bewust van die informatie. Als leerlingen negatieve emoties hebben of weinig energie, zullen ze niet erg gemakkelijk nieuwe informatie zetten in hun werkgeheugen. Ook zal, als de informatie niet interessant is, het werkgeheugen niet verwerken.

We definiëren betrokkenheid als een positieve reactie op de derde en vierde vraag (‘Is dit belangrijk?’ en ‘Kan ik dit’?). De antwoorden op beide vragen zijn van invloed op de duur die de informatie in het werkgeheugen blijft. Als de informatie niet belangrijk wordt gevonden, zal het werkgeheugen het niet lang vasthouden. Als leerlingen niet geloven dat ze de vrijwillige of verplichte taken die behoren bij de informatie kunnen uitvoeren, zal het brein de informatie afwijzen.

In de hoofdstukken twee, drie, vier en vijf van dit boek gaat Marzano dieper in op elk van de vier vragen. In deze hoofdstukken presenteert hij telkens een aantal strategieën die leerkrachten kunnen gebruiken in de klas om de leerlingen te helpen een antwoord te vinden op de desbetreffende vraag. Maar er is meer: hij doet de leerkracht ook reflecteren over zichzelf, over zijn leerkracht-zijn aan de hand van zelfbeoordelingsschalen. Daarenboven krijgt de lezer geregeld oefeningen voorgeschoteld die hem dwingen om onmiddellijk met de inhoud aan de slag te gaan. Het zesde hoofdstuk ordent deze strategieën in drie categorieën:

  • Dagelijkse strategieën;
  • Strategieën voor het juiste moment;
  • Uitgebreide strategieën die verdergaan dan de gebruikelijke structuur van de klas.

Van elke strategie is aangegeven hoe deze zo goed mogelijk gebruikt kan worden en met welke concrete vragen leerkrachten zich kunnen voorbereiden om echte betrokkenheid te laten ontstaan.

Een boek dat je niet vrijblijvend kunt lezen.

afdrukken

12:03 Gepost door Lieven Coppens in Bazalt | Permalink | Tags: aandacht, betrokkenheid, onderwijsstrategie, evidence based | |

2015.10.25

Wat écht werkt

Auteur: David Mitchell
Titel: Wat écht werkt
27 evidence based strategieën voor het onderwijs
Uitgeverij: Pica
Plaats: Huizen
Jaar: 2015
Pagina's: 296
ISBN-13: 978-94-91806-47-6
Prijs: € 37,95

wat echt werkt - 27 evidence based strategieën voor het onderwijsLaat me met een cliché beginnen. Wie evidence based onderwijs zegt, zegt John Hattie. Maar wat als John Hattie het volgende over een boek zegt?

What Really Works goes beyond evidence and provides a suite of strategies for special needs students that have the highest probability of being successful. Mitchell emphases the decision-making skills of teachers to choose between these strategies, he bases the strategies on an explicit model of learning and teaching, and emphasizes that many of the learning and domain knowledge is teachable to all students. This is the book I wish I had written, synthesizing an enormous literature focused on special needs students. It is robust, it is readable, and it is your right-hand resource. A stunner of a book.

Inderdaad. Dan rep je je naar de (internet-)boekhandel en lees je dit boek. Als je dan ook nog te weten komt dat de originele titel van het boek What really works in Special and Inclusive Education. Using Evidence-Based Teaching is, dan weet je dat uitgeverij Pica er opnieuw in geslaagd is om op het juiste moment (het moment van het passend of inclusief onderwijs) een belangrijk boek voor het Nederlandse taalgebied beschikbaar te stellen. En dan weet je dat het bijna onvermijdelijk is dat, naast de Vlaamse uitgever Huug Van Gompel, ook de Nederlandse uitgever Mark Veerman vroeg of laat het ereteken van ridder in de Orde van Oranje-Nassau opgespeld zal krijgen omwille van zijn uitzonderlijke verdiensten en carrièrelange inzet voor mensen met leer-, ontwikkelings- of opvoedingsproblemen.

Zoals de ondertitel het aangeeft, presenteert David Mitchell in zijn boek 27 evidence based strategieën. Elke strategie wordt steeds op dezelfde wijze in zeven stappen besproken. Deze stappen zijn:

  • Een omschrijving van de strategie;
  • Het onderliggende idee, de theorie achter de strategie;
  • Een beschrijving van de strategie en zijn varianten;
  • De bewijsvoering die aantoont dat de strategie werkt;
  • Een beschrijving van de mogelijke risico’s en valkuilen;
  • Een beknopte samenvatting van de waarde van de methode;
  • Een lijst met aanbevolen literatuur over de strategie.

Is dit dan de absolute onderwijsbijbel? Absoluut niet. Zo bescheiden als David Mitchell is in persoonlijke contacten, zo bescheiden is hij ook in zijn boek. Ik citeer:

Ik wil graag benadrukken dat ik bij het bespreken van de strategieën in dit boek niet pleit voor een strategie in het bijzonder of voor een vastomlijnde methode die alle leraren zouden moeten gebruiken, voor welke leerling dan ook. Hun behoeften zijn zo verschillend (zelfs als zij binnen een bepaalde categorie van beperkingen vallen) dat er geen enkele methode bestaat die voor iedereen het meest geschikt is. Het is eerder zo dat de meest effectieve programma’s die programma’s zijn, die een variatie van de best mogelijke methoden bevatten. Ik raad ten sterkste aan een repertoire van strategieën te ontwikkelen die passen bij jouw eigen filosofie, persoonlijkheid, vakkennis, reflecties, professionele ervaring en vooral bij jouw kennis over de bijzonderheden en behoeften van jouw leerlingen en jouw kennis van de specifieke omstandigheden. Of zoals Philip Davis het uitdrukt: ‘De beste aanpak in het onderwijs is meer dan alleen maar toepassen, kritisch beoordelen en onderzoeksresultaten implementeren. Het vraagt ook om de integratie van dit soort kennis met professionele inzichten en ervaringen.

Zeg nu zelf. Wat kun je anders besluiten dan dat dit een naslagwerk met karakter en verplichte literatuur is voor iedereen die om kwalitatief onderwijs geeft.

naslagwerk met karakter afdrukken

2013.02.23

Boys & girls - Basisonderwijs

Auteur: Michael Gurian, Kathy Stevens & Kelley King
Titel: Boys & Girls
Strategieën voor onderwijs aan jongens & meisjes in het basisonderwijs
Uitgeverij: Onderwijs maak je samen
Plaats: Helmond
Jaar: 2008
Pagina's: 270
ISBN-13: 978-90-814613-6-8
Prijs: € 39,95

Boys & girls - Strategieën voor onderwijs aan jongens & meisjes in het basisonderwijsMen weet al langer dan vandaag dat het brein van meisjes op een andere en schijnbaar snellere manier ontwikkelt dan het brein van de jongens. Zo spreekt men van een ontwikkelingsverschil van om en bij twee jaar. Concreet betekent dit dat ze er bepaalde andere vaardigheden en attitudes op nahouden. Goed onderwijs houdt met deze verschillen rekening. Wat daarom nog niet hoeft te betekenen dat we terug moeten naar de situatie van vroeger waar er jongens- en meisjesscholen waren. Het is eerder de bedoeling om de unieke sterke punten van jongens en meisjes bewust aan te speken.

Michael Gurian, Amerikaans sociaal filosoof en gezinstherapeut, heeft de verdienste om de bevindingen van de neurobiologie en het hersenonderzoek onder andere naar het onderwijs te hebben vertaald. Evidence based dus. De strategieën die in dit boek aangereikt worden, zijn het resultaat van deze vertaalslag. Leerkrachten, scholen en schoolbesturen die aan onderwijsvernieuwing denken, lezen dus maar beter eerst dit boek. Omdat jongens en meisjes nu eenmaal soms net iets anders nodig hebben.

In het eerste hoofdstuk van dit boek gaan de auteurs dieper in op de verschillen in de hersenontwikkeling tussen jongens en meisjes en welke gevolgen deze hebben voor het leren. Deze verschillen zijn zowel te vinden in het structurele, het verwerken van taal, het verwerken van ruimtelijke en zintuiglijke informatie als in de chemie van de hersenen. Er is zelfs verschil in de voorkeur voor een bepaalde hersenhelft.

Het tweede hoofdstuk is een pleidooi voor meer beweging in het onderwijs. Omdat de hersenen van kinderen beter zouden functioneren als ze meer zouden mogen bewegen. Dit is geen losse opmerking: de auteurs staven deze bewering opnieuw vanuit de bevindingen van het hersenonderzoek. Naast het weerleggen van enkele vooroordelen tegen bewegend leren, vind je in dit hoofdstuk voor de verschillende vakgebieden enkele praktische en bruikbare strategieën.

Toon meer en praat minder. Zo zou je de essentie van het derde hoofdstuk kunnen weergeven. Vooral jongens, die minder op taal gericht zijn dan meisjes, komt dit enorm ten goede. Daarenboven zijn veel leerlingen sterk op het visueel-ruimtelijk vlak terwijl deze sterkte niet of nauwelijks in de klas aangesproken wordt. Meer nog: de leerlingen kunnen deze sterkte ook aanwenden om beter te worden in verbale taken zoals lezen en schrijven. In dit hoofdstuk leer je ook dat onderzoek heeft aangetoond dat er een positieve correlatie bestaat tussen de prestaties van de leerlingen en het gebruik van niet-taalkundige middelen, zoals grafische voorstellingen, symbolen, afbeeldingen en visualisaties. Dat je bij dit alles de kinderen inspraak moet geven en keuzes moet laten maken, wordt uitgelegd in het volgende hoofdstuk. Vooral het lezen en schrijven komt dit ten goede. Op die manier kunnen ze immers keuzes maken die meer aansluiten bij de ontwikkeling van hun hersenen en dus vanzelf ook rekening houden met de verschillen in ontwikkeling tussen jongens en meisjes.

Laat jongens en meisjes samen leren en geef ze meer mogelijkheden voor sociale interactie. Dit is het centrale thema van het vijfde hoofdstuk. Deze sociale interactie stimuleert immers hersenactiviteit die het leerproces bevordert. Leerlingen die geleerd hebben om hun emoties de baas te kunnen, maken ook meer kans op succes. Door een positieve sociale interactie voelen zij zich sociaal en emotioneel veilig, waardoor ze meer kunnen leren en onthouden. Tegelijk zorgen dergelijke activiteiten ook voor meer bewegingskansen (zie hoofdstuk 2).

Ook op het niveau van het basisonderwijs moeten leerlingen ervaringen dat het leren er echt toe doet. Het onderwijs moet dus doelgericht en betekenisvol zijn. Niet in het minst voor jongens, die uit zichzelf al veel meer moeite hebben dan meisjes om de relevantie van iets te ervaren. En ook dat, je raadt het, is voor een stuk neurobiologisch bepaald. Heel wat praktische voorbeelden zetten de lezer hier zeker op de juiste weg.

In het zevende hoofdstuk krijgen kunst en muziek hun plaats in het basisonderwijs. Omdat dit hoofdstuk maar moeilijk laat samenvatten, lees je het maar beter integraal in het boek. Dit kan ik alvast vrijgeven: muziek en de verschillende kunstvakken hebben, mits juist aangewend, een positieve correlatie met het leren en verankeren van de schoolse kennis.

De leerkracht moet aansluiten vinden bij zijn leerlingen. Positieve relaties tussen leerkrachten en kinderen stimuleren het leerproces. Een persoonlijke band met leerlingen werkt. Aldus de boodschap achter het achtste hoofdstuk. Op zich een hartverwarmend hoofdstuk. Het negende hoofdstuk sluit hier nauw bij aan: karaktervormend onderwijs is basis voor leren en leven. In dit soort onderwijs krijgen eigenschappen zoals respect, verantwoordelijkheid, integriteit, zich inspannen hun terechte plaats. Omdat karaktervorming altijd een combinatie is van weten (de waarden) en handelen (het omzetten van deze waarden in geloofwaardige daden). Speciale aandacht gaat hierbij naar een zeer actueel thema, het pesten.

In het tiende en laatste hoofdstuk houden de auteurs een pleidooi voor een goede verstandhouding en een positieve samenwerking tussen leerkracht en ouders. Omdat ouderlijke betrokkenheid nu eenmaal een van de beste voorspellers is voor succes van het kind op school.

Door de rijkdom van dit boek doet deze bespreking het onvermijdelijk onrecht aan. De voortdurende verwijzingen naar de gegevens uit het hersenonderzoek, het voortdurend maken van de vertaalslag van de inhoudelijke punten naar het omgaan met de verschillen tussen jongens en meisjes en de realistische en bij momenten relativerende aanpak van de thema’s maken dit boek tot een noodzakelijk onderdeel van de schoolbibliotheek.

afdrukken

14:41 Gepost door Lieven Coppens in Onderwijs maak je samen | Permalink | Tags: basisonderwijs, genderverschillen, leren, methodiek, neurobiologie, neuropsychologie, onderwijsstrategie | |

Boys & girls: Voortgezet onderwijs

Auteur: Michael Gurian, Kathy Stevens & Kelley King
Titel: Boys & Girls
Strategieën voor onderwijs aan jongens & meisjes in het voortgezet onderwijs
Uitgeverij: Onderwijs maak je samen
Plaats: Helmond
Jaar: 2008
Pagina's: 256
ISBN-13: 978-90-817484-1-4
Prijs: € 39,95

Boys & girls - Strategieën voor onderwijs aan jongens & meisjes in het voortgezet onderwijsMen weet al langer dan vandaag dat het brein van meisjes op een andere en schijnbaar snellere manier ontwikkelt dan het brein van de jongens. Zo spreekt men van een ontwikkelingsverschil van om en bij twee jaar. Concreet betekent dit dat ze er bepaalde andere vaardigheden en attitudes op nahouden. Goed onderwijs houdt met deze verschillen rekening. Wat daarom nog niet hoeft te betekenen dat we terug moeten naar de situatie van vroeger waar er jongens- en meisjesscholen waren. Maar ook niet dat jongens en meisjes altijd samen les moeten krijgen. Het is eerder de bedoeling om de unieke sterke punten van jongens en meisjes bewust aan te speken.

Michael Gurian, Amerikaans sociaal filosoof en gezinstherapeut, heeft de verdienste om de bevindingen van de neurobiologie en het hersenonderzoek onder andere naar het onderwijs te hebben vertaald. Evidence based dus. De strategieën die in dit boek aangereikt worden, zijn het resultaat van deze vertaalslag. Leerkrachten, scholen en schoolbesturen die aan onderwijsvernieuwing denken, lezen dus maar beter eerst dit boek. Omdat jongens en meisjes nu eenmaal soms net iets anders nodig hebben.

In het eerste hoofdstuk van dit boek gaan de auteurs dieper in op de verschillen in de hersenontwikkeling tussen jongens en meisjes en welke gevolgen deze hebben voor het leren. Deze verschillen zijn zowel te vinden in het structurele, het verwerken van taal, het verwerken van ruimtelijke en zintuiglijke informatie als in de chemie van de hersenen. Er is zelfs verschil in de voorkeur voor een bepaalde hersenhelft.

Het tweede hoofdstuk is een pleidooi voor meer beweging in het onderwijs. Omdat de hersenen van jongeren dan beter functioneren. Dit is geen losse opmerking: de auteurs staven deze bewering opnieuw vanuit de bevindingen van het hersenonderzoek. Naast het weerleggen van enkele vooroordelen tegen bewegend leren, vind je in dit hoofdstuk voor de verschillende vakgebieden enkele praktische en bruikbare strategieën.

In het derde hoofdstuk komt het gebruik in de klas van visuele en ruimtelijke strategieën aanbod. Centraal staat hier het concept van een Playbook, een concept dat de auteurs onvertaald laten omdat er geen passend Nederlands woord voor bestaat. Een Playbook helpt de leerling om zich te richten op zijn sterke en zwakke punten. Het helpt de leerkracht omdat deze strategieën kan gebruiken om meer en beter in te spelen op de sterke punten van die leerling. Het visueel-ruimtelijk leren is zowel voor jongens als meisjes een krachtig instrument om hun sterke punten te leren kennen en ook te leren voorbij deze punten. Het zal de lezer niet ontgaan dat de auteurs van de integratie van technologie in het onderwijs zowel voor jongens als voor meisjes veel heil verwachten.

Vorm leerteams met jongens en meisjes zodat ze van elkaar kunnen leren. Sociale interactie is zeer belangrijk. Dat is het centrale thema van het vierde hoofdstuk. Dat de auteurs onmiddellijk relativeren door aan te tonen dat het soms beter is om in sekse specifieke groepen te onderwijzen. Om meerdere redenen. Dat je bij dit alles de jongeren de leiding moet laten nemen en hen keuzes moet laten maken, wordt uitgelegd in het vijfde hoofdstuk. Op die manier kunnen ze immers keuzes maken die meer aansluiten bij de ontwikkeling van hun hersenen en dus vanzelf ook rekening houden met de verschillen in ontwikkeling tussen jongens en meisjes. Meer nog, ook de ontwikkeling van hun hersenen wordt er beter van.

Het zesde hoofdstuk staat in het teken van het zinvol, echte, betekenisvolle leren. Nog anders gezegd: het leren moet verband houden met, relevant zijn voor de realiteit, voor hun realiteit. Die emotionele connectie is noodzakelijk omdat het brein dan op een actievere wijze leert. Deze connectie met de realiteit kan er immers voor zorgen dat men zich ook wil inzetten voor die inhouden die men als nutteloos beschouwt. Maar ook hier speelt het verschil tussen jongens en meisjes weer een rol: het mannelijke brein moet je op een andere manier motiveren dan het vrouwelijke. Heel wat praktische strategieën wijzen hier de lezer de weg.

Lezen om te leren: hier staan de auteurs uitgebreid bij stil in het zevende hoofdstuk. In het lezen en het schrijven spelen opnieuw heel wat verschillen tussen jongens en meisjes een rol. Er is dus een kloof in de geletterdheid. Die kan voor een deel overbrugd worden door de lijsten met verplichte literatuur meer jongensvriendelijk te maken. Heel relevant vond ik hierbij het stukje dat leesplezier herdefinieert vanuit de gendervoorkeuren met betrekking tot lezen. Om een tipje van de sluier op te lichten: stripverhalen en grafische romans krijgen hier ook een plaats! Verder kunnen aangepaste verwerkingsvormen voor jongens en meisjes een wereld van verschil maken.

Zelf kiezen? Ja. Maar vergeet asjeblieft het belang van een mentor niet. Dat is de stelling die de auteurs verdedigen in het voorlaatste hoofdstuk van dit boek. Een mentor zal opnieuw rekening moeten houden met de verschillende verwachtingen van jongens en meisjes. De strategieën in dit hoofdstuk zijn daarbij zeker een hulp.

In het laatste hoofdstuk bespreken de auteurs nog een viertal thema’s: huiswerk, het belang van rust, het belang van de voeding en de stress van het adolescent zijn. Een aantal praktische ideeën leren de leerkracht hoe hij hier kan mee omgaan.

Door de rijkdom van dit boek doet deze bespreking het onvermijdelijk onrecht aan. De voortdurende verwijzingen naar de gegevens uit het hersenonderzoek, het voortdurend maken van de vertaalslag van de inhoudelijke punten naar het omgaan met de verschillen tussen jongens en meisjes en de realistische en bij momenten relativerende aanpak van de thema’s maken dit boek tot een noodzakelijk onderdeel van de schoolbibliotheek.

afdrukken

14:27 Gepost door Lieven Coppens in Onderwijs maak je samen | Permalink | Tags: genderverschillen, leren, methodiek, neurobiologie, neuropsychologie, onderwijsstrategie, secundair onderwijs | |

2011.10.23

De Kunst en Wetenschap van het Lesgeven

Auteur: Robert Marzano
Titel: De Kunst en Wetenschap van het Lesgeven. Een evidence-based denkkader voor goed, opbrengstgericht onderwijs. Tien vragen (én antwoorden) om uw lessen sterker te maken.
Uitgeverij: Bazalt
Plaats: Vlissingen
Jaar: 2011
Pagina's: 320
ISBN-13: 978-94-6118-022-3
Prijs: € 69,-

de kunst en wetenschap van het lesgeven - een evidence-based denkkader voor goed, opbrengstgericht onderwijs - tien vragen (én antwoorden) om uw lessen sterker te makenWat is een goede les? Dit is een vraag die in het onderwijs, ongeacht het niveau, voortdurend brandend actueel (moet) zijn. Samengevat komt het hierop neer: goed onderwijs bestaat uit de juiste mengeling van vier belangrijke onderwijsfactoren. Deze factoren zijn:

  • het kiezen van de juiste onderwijsstrategie;
  • het goed pedagogisch handelen;
  • het klassenmanagement;
  • het afstemmen van het onderwijsaanbod op de specifieke onderwijsbehoeften van de leerlingen.

Zoals steeds is het geheel hier meer dan de som van alle delen. Het kreeg zelfs een eigen naam mee: opbrengstgericht werken.

Zoals we dat van hem gewoon zijn, ging Marzano in de internationale vakliteratuur op zoek naar methoden waarvan wetenschappelijk werd vastgesteld dat ze garant staan voor een goede les. Heel belangrijk daarbij is – maar dat wisten we al vanuit andere werken van Marzano – dat naast die goede methoden (de wetenschap) ook het vakmanschap van de leerkracht (de kunst) zeer belangrijk is.

Maar wat is nu een goede les? Marzano lost deze vraag op door een antwoord op tien vragen te geven:

  • Hoe stel ik leerdoelen vast en communiceer ik deze, houd ik vorderingen van leerlingen bij en vier ik successen?
  • Hoe laat ik leerlingen omgaan met nieuwe kennis?
  • Hoe laat ik leerlingen oefenen en hun begrip van nieuwe kennis verdiepen?
  • Hoe laat ik leerlingen hypothesen opstellen over nieuwe kennis en deze toetsen?
  • Hoe krijg ik betrokken leerlingen?
  • Hoe stel ik regels en routines op én hoe handhaaf ik deze?
  • Hoe herken en erken ik de naleving en het gebrek aan naleving van regels en routines?
  • Hoe bouw en onderhoud ik een goede relatie met leerlingen?
  • Hoe communiceer ik hoge verwachtingen voor alle leerlingen?
  • Hoe ontwikkel ik goede lessen binnen een samenhangend geheel?

Marzano beantwoordt elke vraag in dezelfde zeven stappen:

  • Elke vraag start met een lijst van Trefwoorden die de inhoud van het antwoord weerspiegelen;
  • Het onderdeel De praktijk vat vooraf de verschillende stappen samen die je moet zetten als je het antwoord op de vraag in de eigen klas wil toepassen;
  • In de rubriek In de klas krijg je een uitgewerkt praktijkvoorbeeld;
  • De onderzoeksgegevens die betrekking hebben op de gestelde vraag vind je terug in het onderdeel Onderzoek en theorie.
  • De te nemen Actiestappen vind je uitgewerkt in de gelijknamige rubriek;
  • De Samenvatting zet alle elementen van het antwoord nog eens beknopt op een rijtje;
  • De rubriek Verder lezen geeft enkele bronnen met meer informatie aan.

Lees zeker ook altijd de virtuele gele kleefnotities die in de marge staan en de praktijkvoorbeeldjes op de oranje achtergrond. Zij geven aan het boek nog een extra dimensie.

Net zoals de andere boeken van Marzano is dit werk een onontbeerlijk naslagwerk voor iedereen die de kwaliteit van het onderwijs wil verbeteren. Een aanrader voor zowel de leerkrachten als de onderwijsbegeleiders, ongeacht of ze dichtbij bij de leerlingen staan of niet.

De educatieve uitgaven van Bazalt worden in België verdeeld door uitgeverij Abimo.

afdrukken

18:37 Gepost door Lieven Coppens in Bazalt | Permalink | Tags: klassenmanagement, leerkrachten, marzano, onderwijsonderzoek, onderwijsstrategie, opbrengstgericht, pedagogisch handelen, evidence based | |