2007.09.13

Ukkepukkepleuter

Auteur: Miet Fournier
Titel: Ukkepukkepleuter. Gids bij het opvoeden van peuter tot kleuter
Uitgeverij: Van In
Plaats: Lier
Jaar: 2001
Pagina's: 120
ISBN-13: 978-90-306-3246-7
Prijs: € 28,01

ukkepukkepleuterIn de kleuterschool wordt er heel wat aandacht besteed aan de ontwikkeling van de kinderen. De tijd dat alleen dat wat in de derde kleuterklas gebeurde van tel was, is - gelukkig maar - voorbij. In de kleuterklas wordt immers het fundament gelegd voor de volledige latere onderwijsloopbaan.

Binnen die kleuterklas vormen de peuters een bijzondere doelgroep. Op een leeftijd waarop kinderen ultrasnel ontwikkelen, is het belangrijk goed geïnformeerd te zijn over de mogelijkheden en beperkingen van peuters. Dit is niet alleen belangrijk voor het vinden van een goede opvoedingsstijl. Ook bij het uitbouwen van een zorgcontinuüm speelt deze kennis een belangrijke rol.

In dit boek heeft Miet Fournier haar kennis van de mogelijkheden en beperkingen van peuters op een aangename en zeer toegankelijke manier samengebracht. Terwijl alles zeer praktisch en concreet geschreven is, is de band met de theorie nooit veraf.

In het eerste hoofdstuk komt de dynamisch-affectieve ontwikkeling aan bod. Door de peuters een gevoel van veiligheid mee te geven kunnen ze ontwikkelen. Nadat de auteur dieper ingegaan is op de peutertuinrijpheid gaat ze concreet in op thema's zoals de koppigheidsfase, de zelfredzaamheid, het uittesten van de grenzen en dergelijke meer. Bij elk thema legt ze eerst uit wat er gebeurt, om dit dan aan te vullen met tips, suggesties en mogelijkheden om het aan te pakken. Op dezelfde manier pakt ze de psychomotorische ontwikkeling (hoofdstuk 2) en de cognitieve ontwikkeling van de peuter aan: belangrijke aspecten en thema's worden concreet uitgelegd, tips om aan de noden van de peuters tegemoet te komen en hen te stimuleren vullen de opgedane kennis aan.

De continue methode, de flitsmethode en de testmethode komen aan bod in het vierde hoofdstuk. Miet Fournier toont hier aan dat observeren pas zinvol is als de observatie een bepaald doel dient. Niet observeren om te observeren dus, maar wel om een antwoord te vinden op vooraf geformuleerde vragen. Deze doelen kunnen van verschillende aard zijn:

  • Wat moet ik de peuters aanbrengen: wat vragen ze, wat hebben ze nodig.
  • Hoe ver staat het met de ontwikkeling van de peuters?
  • Welke zijn de risicokinderen?

Een goede observatie geeft een scherp en gedifferentieerd beeld van de peuters. Op die manier kan de peuterleidster, waar nodig, gericht tussenbeide komen met extra hulp of stimulering.

In de laatste hoofdstukken gaat Miet Fournier dieper in op de rol en de houding van de peuterleidster, de organisatie van het klaslokaal en het werken met thema's.

Een boek dat goed aansluit op de actualiteit van het kleuteronderwijs en de leerlingenzorg.

afdrukken

21:35 Gepost door Lieven Coppens in Van In | Permalink | Tags: stimuleren, kleuteronderwijs, ontwikkeling, peuters, kleuters | |

2007.08.31

De Woordentrommel

Auteur: Pieter Goessaert
Titel: De woordentrommel. Woordfrequentielijst voor spellingonderwijs in de basisschool
Uitgeverij: Van In
Plaats: Wommelgem
Jaar: 2004
Pagina's: 106
ISBN-13: 978-90-306-3776-0
Prijs: € 24,99

de woordentrommelBij de voorstelling van het nieuwe Deelleerplan Schrijven van het VVKBaO in 1995 hoorde ik de voorzitter van de leerplancommissie, Leo De Meulenaere, zeggen dat spelling een verzorgingsaspect was van de taal, en dat er in het taalonderwijs veel meer aandacht moest besteed worden aan het leren schrijven (als het schriftelijk verwoorden van ideeën) op zich.

Terecht wordt er in de inleiding van deze frequentielijst benadrukt dat er vanuit verschillende hoeken gezegd werd - en wordt - dat het spellingonderwijs zich moet baseren op de schrijfwoordenschat van de leerlingen zelf. Waarom? Omdat lang niet alle woorden die in de spreektaal gebruikt worden ook geschreven worden. Omdat lang niet alle woorden die in de leesmethoden gebruikt worden bij de leerlingen spontaan in de pen liggen. Omdat veel tijd besteed wordt aan het indrillen van spellingmoeilijkheden zoals dreumesen terwijl deze tijd beter zou besteed worden aan het leren schriftelijk verwoorden van ideeën, of zoals de auteur het schrijft de vergroting van het taalbereik door luisteren, spreken, lezen en stellen.

Deze woordfrequentielijst is gebaseerd op een onderzoek van Jos Tubbax uit 2000 naar de schrijfwoordenschat van leerlingen uit het vijfde en zesde leerjaar in de vijf Vlaamse provincies.  Ze laat toe om kinderen met spellingproblemen de 3000 meest frequente woorden aan te leren, waardoor ze meteen 92 tot 94 % van de schrijftaal beheersen. Ook dit kan een manier van curriculumdifferentiatie zijn. Bij succes kan deze bagage dan uitgebreid worden tot de 5000 meest voorkomende woorden gekend zijn. Daarmee beheerst met dan meteen 98 % van de schrijftaal.

Een dergelijke lijst kan ook gebruikt worden om de moeilijkheidsgraad van methodegebonden dictees, dictees van leerlingvolgsystemen en andere testen beter in te schatten.

De Woordentrommel is zeer overzichtelijk ingedeeld per leerjaar. De woorden zijn per leerjaar op twee manieren gerangschikt: volgens alfabet en volgens de leerinhouden. De leerinhouden staan per leerjaar afzonderlijk omschreven en zijn voorzien van een code, vb. 2.42: 2e leerjaar, leerinhoud 42 "Tweeklank aai". Helaas is het niet duidelijk waarop deze nummering gebaseerd is? Dit maakt het opzoeken in een leerplan (zoals het Deelleerplan Schrijven van het VVKBaO dat uitgegeven werd in 2000) minder eenvoudig.

afdrukken

21:15 Gepost door Lieven Coppens in Van In | Permalink | Tags: woordfrequentielijst, schrijfwoordenschat, spelling, woordfrequentie, schrijven | |